De omgekeerde Gedaanteverwisseling
12 October 2014
En het scheen hun een bevestiging van hun nieuwe droomen en goede vooruitzichten, toen, bij het doel van hun reis, de dochter het eerste opstond en haar jong lichaam rekte. Zij werden stiller en terwijl zij bijna onbewust, elkaar begrijpend aanzagen, dachten zij er aan dat het nu tijd werd ook een braven man voor haar te zoeken. Terwijl zij zoo met elkaar praatten, trof het mijnheer en mevrouw Samsa bij den aanblik van hun dochter, die steeds levendiger werd, bijna tegelijk, hoe zij in den laatsten tijd, in weerwil van alle ellende, die haar wangen bleek had gemaakt, tot een mooi en weelderig meisje was ontloken. De grootste plotselinge verbetering van den toestand moest natuurlijk blijken uit verhuizen; zij wilden nu een kleinere en goedkoopere, maar beter gelegen en vooral practischer woning nemen, dan de huidige, die nog door Gregor was uitgezocht. Zij bespraken, terwijl zij op hun gemak op hun plaatsen zaten, de vooruitzichten voor de toekomst, en het bleek, dat deze bij nadere beschouwing, in het geheel niet slecht waren, want de betrekkingen van alle drie, waarnaar zij eigenlijk nog in het geheel niet bij elkaar geïnformeerd hadden, waren buitengewoon gunstig, en vooral voor de toekomst veelbelovend. De wagen waar zij alleen in zaten, werd geheel door de warme zon beschenen. Toen verlieten zij alle drie gemeenschappelijk de woning, wat zij reeds sinds maanden niet gedaan hadden en reden met de tram naar buiten, niet ver van de stad. En denk eens een beetje aan mij!” Meteen volgden de vrouwen zijn raad op, ijlden naar hem toe, liefkoosden hem en maakten vlug haar brieven af. Laat die oude geschiedenis nu eindelijk rusten. Toen riep hij: „Kom toch hier. Mijnheer Samsa keerde zich in zijn stoel naar haar om en keek een poos stil naar hen. Zij stonden op, gingen naar het raam, en bleven daar staan, met de armen om elkaar heen geslagen. „Van avond wordt zij opgezegd,” zei mijnheer Samsa, kreeg echter noch van zijn vrouw, noch van zijn dochter antwoord, want de werkvrouw scheen haar nauwelijks verkregen rust weer verstoord te hebben.

Doch toen zij niet mocht vertellen, herinnerde zij zich de groote haast, die zij had, riep klaarblijkelijk beleedigd: „Nou ajuus,” draaide zich wild om en verliet, terwijl zij verschrikkelijk met de deuren sloeg, de woning.” Mevrouw Samsa en Grete bogen zich over hun brieven, alsof zij verder wilden schrijven; mijnheer Samsa, die merkte dat de werkvrouw nu alles uitvoerig wou gaan beschrijven, weerde dit met uitgestrekte hand af. Het is al in orde. „Ja,” antwoordde de werkster, en kon door het vriendelijke lachen niet dadelijk verder spreken, „nou, hoe die rommel van hiernaast opgeruimd moet worden, daar hoeft u zich geen zorgen over te maken. „Nu, wat wilt u eigenlijk?” vroeg mevrouw Samsa, voor wie de werkster nog het meeste ontzag had. De bijna recht overeind staande kleine struisveer, waaraan mijnheer Samsa zich al gedurende haar geheelen diensttijd had geërgerd, wiegelde zachtjes in alle richtingen. De werkvrouw stond glimlachend in de deur, alsof zij de familie een groot geluk had mee te deelen, maar het eerst dan zou doen, wanneer zij grondig werd ondervraagd. „Nu?” vroeg mijnheer Samsa. De drie schrijvenden knikten eerst alleen, zonder op te zien, maar toen de vrouw zich nog steeds niet wilde verwijderen, keek men geprikkeld op. Onder het schrijven kwam de werkvrouw binnen, om te zeggen dat ze wegging, want haar morgentaak was geëindigd. En zij gingen dus aan de tafel zitten en schreven drie verontschuldigingsbrieven, mijnheer Samsa aan zijn directie, mevrouw Samsa aan haar werkgever, en Grete aan haar patroon. Zij besloten dezen dag te gebruiken om uit te rusten en te gaan wandelen; zij hadden deze onderbreking van hun arbeid niet alleen verdiend, zij hadden haar zelfs broodnoodig.

Met, zooals bleek geheel ongegrond, wantrouwen, liep mijnheer Samsa met de twee vrouwen het portaal op; tegen de balustrade geleund zagen zij, hoe de drie heeren wel langzaam, maar geleidelijk de trap afdaalden, bij iedere verdieping in een bepaalde bocht van het trappenhuis verdwenen en dan na een paar oogenblikken weer te voorschijn kwamen, hoe lager zij kwamen, des te meer verdween de belangstelling der familie Samsa voor hen, en toen een slagersjongen hen eerst tegemoet kwam en toen hoog boven hen, in trotsche houding met zijn vracht op het hoofd, de trap op liep, verliet de heer Samsa met de beide vrouwen spoedig het portaal en allen keerden opgelucht in hun woning terug. In de voorkamer namen zij alle drie hun hoeden van den kapstok, haalden hun stokken uit den paraplubak, bogen zwijgend en verlieten de woning. Daarop ging de heer inderdaad met groote passen de voorkamer in; zijn beide vrienden hadden al een oogenblikje met rustige handen geluisterd en sprongen hem nu letterlijk achterna, alsof zij bang waren, dat mijnheer Samsa de voorkamer binnen zou kunnen gaan vóór hen, en de verbinding met hun aanvoerder zou verbreken. Mijnheer Samsa knikte hem alleen herhaaldelijk kort en verwonderd toe. „Dan gaan we maar,” zei hij toen en keek naar mijnheer Samsa op, alsof hij in een onderdanigheid, die hem plotseling overviel, zelfs voor dit besluit opnieuw toestemming vroeg. Deze bleef eerst stil staan en keek naar den grond, alsof de dingen in zijn hoofd in een nieuwe volgorde werden gerangschikt. „Ik bedoel het precies zooals ik het zeg,” antwoordde mijnheer Samsa en ging in één lijn met zijn twee begeleidsters op den heer toe. De twee anderen hielden de handen op den rug en wreven ze onophoudelijk tegen elkaar, alsof ze vol vreugde een feilen strijd verwachtten, die voor hen echter gunstig moest uitvallen. „Hoe bedoelt u dat?” vroeg de middelste heer wat verschrikt, en glimlachte strooperig.„Verlaat oogenblikkelijk mijn woning!” zei mijnheer Samsa en wees op de deur, zonder de vrouwen los te laten.

Grete drukte zoo nu en dan haar gezicht tegen den arm van haar vader. Zij waren alle eenigszins behuild. Daar ging de deur van de slaapkamer open en I mijnheer Samsa verscheen in zijn livrei, aan den eenen arm zijn vrouw, aan den anderen zijn dochter.
Zij kwamen ook en stonden toen, de handen in de zakken van hun eenigszins versleten jasjes, in de kamer, die nu geheel licht was, om Gregors lijk. Doch deze legde den vinger op den mond en wenkte de heeren toen haastig en zwijgend dat zij in Gregors kamer moesten komen. „Waar is het ontbijt?” vroeg de middelste der heeren knorrig aan de werkvrouw. De drie heeren stapten uit hun kamer en zochten verbaasd naar hun ontbijt; men had hen vergeten.

Het was ook al einde Maart. Niettegenstaande den vroegen morgen was er in de frissche lucht al iets luws. De werkvrouw sloot de deur en deed het raam wijd open.„Kom een oogenblikje bij ons binnen, Grete,” zei mevrouw Samsa, met een weemoedig glimlachje en Grete ging, niet zonder naar het lijk om te zien, achter haar ouders de slaapkamer binnen.

Zóó als het eten binnenkwam, ging het weer naar buiten. Hij heeft ook in zoo lang niets gegeten. Grete, die geen oog van het lijk af had, zei: „Kijk eens hoe mager hij is.” Hij sloeg een kruis, en de drie vrouwen volgden zijn voorbeeld. „Nu,” zei mijnheer Samsa, „wij kunnen God danken. Mevrouw Samsa maakte een gebaar alsof zij den bezem tegen wilde houden, deed het echter niet. „Dat zou ik denken,” zei de werkster en als bewijs duwde zij Gregors lijk met den bezem nog een groot stuk opzij. „Dood?” zei mevrouw Samsa, en zag vragend naar de werkvrouw op, hoewel zij toch alles zelf kon onderzoeken en zelfs zonder onderzoek kon vaststellen. Inmiddels was ook de deur van de huiskamer opengegaan, waar Grete sinds de komst van de huurders sliep; zij was geheel gekleed, alsof zij in het geheel niet geslapen had, ook haar bleek gezicht scheen dat te bewijzen. Toen echter stapten mijnheer en mevrouw Samsa haastig uit het bed, ieder aan zijn kant, mijnheer Samsa gooide de deken over zijn schouders, mevrouw Samsa kwam alleen in haar nachthemd te voorschijn; zoo gingen zij Gregor’s kamer binnen. Het echtpaar Samsa zat recht overeind in het echtelijk bed, en trachtte den schrik over de werkvrouw te boven te komen, voor het zoover was, haar mededeeling te begrijpen.

Toen dat ook geen succes had, werd zij nijdig en stootte Gregor even aan, en pas toen zij hem zonder weerstand van zijn plaats had geschoven, werd haar aandacht getrokken. Daar zij toevallig den langen bezem in de hand had, probeerde zij Gregor daarmee van de deur af te kittelen. Zij dacht, dat hij met opzet zoo onbeweeglijk lag en den beleedigde speelde; zij schreef hem alle mogelijke verstand toe. Toen vroeg in den morgen de werkvrouw kwam— van louter kracht en haast sloeg zij, hoe vaak men haar ook al gevraagd had dat na te laten, alle deuren zoo hard dicht, dat in de geheele woning na haar komst geen rustige slaap meer mogelijk was —, merkte zij bij haar gewone korte bezoek aan Gregor eerst niets bijzonders.

Toen zonk zijn hoofd buiten zijn wil geheel omlaag en uit zijn neusgaten stroomde zwak zijn laatste adem. Hij beleefde nog dat het buiten voor het raam licht begon te worden. In dezen toestand van leeg en vreedzaam nadenken bleef hij tot de torenklok het derde uur van den morgen sloeg. Zijn meening over het feit, dat hij moest verdwijnen, was zoo mogelijk nog vaster dan die van zijn zuster. Aan zijn familie dacht hij ontroerd en met liefde. De rotte appel in zijn rug, en de ontstoken omgeving, die geheel met een weeke substantie was bedekt, voelde hij haast niet meer. Hij had wel in zijn geheele lijf pijn, maar het was alsof ze langzamerhand minder en minder werd en ten slotte geheel zou verdwijnen. Overigens voelde hij zich betrekkelijk behaaglijk. Hij verwonderde zich daarover niet, het leek hem eerder onnatuurlijk, dat hij zich tot nu toe met die dunne pootjes had kunnen voortbewegen. Hij kwam spoedig tot de ontdekking dat hij zich nu heelemaal niet meer kon bewegen. „En nu?” vroeg Gregor zich af en keek in het donker om zich heen.

Gregor had haar in ‘t geheel niet hooren komen en zij riep zijn ouders „Eindelijk!” toe, terwijl zij den sleutel in het slot omdraaide. Zij had daar al rechtop staan te wachten, lichtvoetig was zij toen vooruitgesprongen. Het was zijn zuster, die zich zoo gehaast had. Van het plotselinge lawaai achter zich schrok Gregor zoo, dat zijn pootjes knikten. Nauwelijks was hij in zijn kamer, of de deur werd haastig toegeduwd, gegrendeld en gebarricadeerd.

Zijn laatste blik gleed over zijn moeder, die nu geheel was ingeslapen. Pas toen hij al in de deur was, draaide hij het hoofd om, niet geheel, want hij voelde zijn hals stijf worden; toch zag hij nog, dat achter hem niets veranderd was, alleen zijn zuster was opgestaan. Voortdurend slechts op snel kruipen bedacht, sloeg hij er bijna geen acht op, dat geen woord, geen kreet van zijn familie hem stoorde. Hij verbaasde zich over den grooten afstand die hem van zijn kamer scheidde, en begreep heelemaal niet, hoe hij korten tijd geleden denzelfden weg, bijna zonder het te merken, had afgelegd. Toen hij met het omdraaien gereed was, begon hij dadelijk regelrecht terug te kruipen. Overigens joeg niemand hem, het werd alles aan hem overgelaten. Hij kon het snuiven van inspanning niet onderdrukken, en moest ook zoo nu en dan uitrusten. „Nu mag ik mij misschien omdraaien,” dacht Gregor en begon weer met zijn arbeid.
Zijn moeder lag, met de beenen gestrekt en tegen elkaar aangedrukt, in haar stoel, haar oogen vielen van vermoeidheid bijna dicht; zijn vader en zijn zuster zaten naast elkaar, zijn zuster had haar hand om den hals van zijn vader gelegd. Nu keken zij hem alle zwijgend en treurig aan. Zijn goede bedoeling scheen erkend te worden; het was maar een plotselinge schrik geweest. Hij hield op en keek om. Hij was alleen begonnen zich om te draaien om naar zijn kamer terug te gaan, en dat geschiedde inderdaad wel eigenaardig, daar hij tengevolge van zijn lijdenden toestand met zijn kop moest meehelpen, dien hij hierbij vele malen omhooghief en weer neer liet vallen. Maar Gregor was toch in het minst niet van plan iemand, en zeker niet zijn zuster, angst aan te jagen.

Kijk maar, vader,” riep zij plotseling, „daar begint hij alweer!” En in een voor Gregor geheel onverklaarbaren schrik, verliet zijn zuster zelfs zijn moeder, stootte zich letterlijk van haar stoel af, alsof zij liever haar moeder wilde opofferen dan in Gregors nabijheid te blijven, en ijlde achter haar vader, die, enkel en alleen door haar gedrag opgewonden, ook opstond en, alsof hij zijn zuster wilde beschermen, de armen halverwege vóór haar ophief. Maar zóó vervolgt dat dier ons, verdrijft de kamerhuurders, wil klaarblijkelijk de heele woning innemen en ons op straat laten overnachten. Wij hadden dan geen broeder meer, maar wij konden verder leven en zijn herinnering in eere houden. Maar hoe zou het Gregor dan ook kunnen zijn? Als het Gregor was, dan had hij allang ingezien, dat het samenleven van menschen met zoo’n dier niet mogelijk is, en hij zou vrijwillig weg zijn gegaan. Dat wij dat zoo lang geloofd hebben is immers juist ons ongeluk. U moet alleen de gedachte van u afzetten, dat het Gregor is.„Weg moet hij,” riep zijn zuster, „dat is het eenige middel, vader.

„Als hij ons verstond,” herhaalde zijn vader en nam door het sluiten van zijn oogen de overtuiging van zijn zuster omtrent de onmogelijkheid daarvan in zich op, „dan zou er misschien een overeenkomst met hem gemaakt kunnen worden, maar zoo… ”

„Als hij ons maar verstond,” zei zijn vader, half vragend; zijn zuster schudde onder het huilen heftig met de hand ten teeken, dat daaraan niet gedacht behoefde te worden.
Zijn zuster haalde de schouders op als bewijs van de radeloosheid, die haar nu onder het huilen in tegenstelling met haar vroegere zekerheid had bevangen.

„Kind,” zei zijn vader medelijdend en met treffend begrip, „wat zullen wij dan doen?”
” En zij begon zoo hevig te huilen, dat haar tranen op het gezicht van haar moeder neerdrupten, waarvan zij ze met een mechanische handbeweging afveegde. Ik kan het ook niet meer. Als je zoo hard moet werken, als wij allemaal, kan je thuis niet nog die eeuwigdurende kwelling verdragen. „Wij moeten hem kwijt zien te raken,” zei zijn zuster nu nadrukkelijk tegen zijn vader, want zijn moeder hoorde door het hoesten niets, „het brengt u nog beiden in het graf, ik zie het aankomen.
Zijn vader scheen door de woorden van zijn zuster op vaster omlijnde gedachten te zijn gekomen, hij was overeind gaan zitten, speelde met zijn uniformpet tusschen de borden, die nog van het avondmaal der heeren op tafel stonden, en keek zoo nu en dan naar den stillen Gregor.Zijn zuster ijlde naar zijn moeder toe en steunde haar voorhoofd.

Zijn moeder, die nog steeds niet genoeg adem kon verzamelen, begon, met de hand voor den mond en een waanzinnige uitdrukking in haar oogen, dof te hoesten. „Zij heeft in alle opzichten gelijk,” zei zijn vader zacht.

Wij hebben al het mogelijke geprobeerd om het te verzorgen en te verdragen, ik geloof dat niemand ons het geringste verwijt kan maken. Ik wil tegenover dit ongedierte niet den naam van mijn broeder uitspreken, en daarom zeg ik alleen: wij moeten probeeren hem kwijt te raken. Als u het misschien niet inziet, ik zie het wel in.„Lieve ouders,” zei zijn zuster en sloeg als inleiding met haar hand op de tafel, „zoo gaat het niet langer.

Zelfs de viool, die uit de trillende vingers van zijn moeder op den grond viel en een galmende klank gaf, schrikte hem niet eens op. Met een soort van zekerheid vreesde hij het volgend oogenblik al een algemeene uitbarsting, die zich over hem zou ontladen en wachtte. De ontgoocheling over het mislukken van zijn plan, misschien ook de door het vele vasten veroorzaakte zwakte, maakten het hem onmogelijk zich te bewegen. Gregor was den geheelen tijd stil op de plaats blijven liggen, waar de heeren hem ontdekt hadden. Zijn vader wankelde met tastende handen naar zijn stoel en liet er zich in neervallen; hij zag er uit alsof hij zich voor zijn gewone avondslaapje uitstrekte, maar het machteloos heen en weer slingeren van zijn hoofd bewees, dat hij heelemaal niet sliep.

” Daarop greep hij den deurknop en sloeg met een bons de deur dicht. Inderdaad vielen zijn twee vrienden oogenblikkelijk met de woorden in: „Ook wij zeggen op staanden voet op.” Hij zweeg en keek recht voor zich uit, alsof hij iets verwachtte. Ik zal voor de dagen, dat ik hier gewoond heb, natuurlijk ook niet het geringste betalen, daarentegen zal ik er nog over denken, of ik niet met een of andere — gelooft u mij — zeer gemakkelijk te motiveeren vordering tegen u zal optreden. „Ik verklaar hierbij”, zei hij, hief de hand op en zocht met zijn blik ook de moeder en de zuster, „dat ik met het oog op de in deze woning en in deze familie heerschende walgelijke toestanden” — hierbij spoog hij vastberaden op den grond — „mijn kamer oogenblikkelijk opzeg.

Hij drong maar en drong, totdat, al in de deur van de kamer, de middelste heer donderend met den voet op den grond stampte en daardoor zijn vader tot staan bracht. De vader scheen weer door zijn koppigheid bezeten te zijn, zoodat hij alle respect, dat hij zijn huurders toch zeker verschuldigd was, vergat. Nog voor de heeren de kamer hadden bereikt, was zij met het opmaken der bedden gereed, en glipte weg. Men zag hoe onder de geoefende handen van zijn zuster de dekens en kussens in de bedden omhoog vlogen en glad gestreken werden. Ondertusschen had zijn zuster de versuffing, waarin zij na het plotseling afgebroken spel was vervallen, overwonnen, en was, nadat zij een pooslang de viool en den strijkstok in de slap neerhangende handen had gehouden, en verder, alsof zij nog speelde, in de muziek had gekeken, opeens tot zichzelf gekomen, had haar instrument op haar moeders schoot gelegd, die hijgend en met hevig werkende longen nog op haar stoel zat, en was naar de kamer er naast geloopen, die de heeren onder het dringen van den vader reeds sneller naderden. Zij verlangden verklaringen van zijn vader, ook zij hieven hun armen omhoog, plukten onrustig aan hun baarden en weken slechts langzaam naar hun kamer terug. N u werden zij inderdaad eenigszins boos, men wist niet goed of het over het gedrag van zijn vader was, of over het nu tot hen doordringende besef, dat zij zonder het te weten een dergelijken kamerhuur gehad hadden. Hij ijlde naar hen toe en probeerde hen met uitgespreide armen in hun kamer te drijven, en hun tegelijkertijd met zijn lichaam het gezicht op Gregor te benemen. Zijn vader scheen het eerder noodig te vinden de heeren gerust te stellen, dan Gregor te verdrijven, hoewel zij in het geheel niet opgewonden waren en zij Gregor amusanter schenen te vinden dan het vioolspel. De viool verstomde, de middelste heer glimlachte eerst hoofdschuddend tegen zijn vrienden en keek toen weer naar Gregor. „Mijnheer Samsa!” riep de middelste heer zijn vader toe en wees, zonder verder een woord te verspillen, met den wijsvinger op den langzaam zich voortbewegenden Gregor.

Na deze ontboezeming zou zijn zuster in tranen van ontroering uitbreken, en Gregor zou zich tot haar schouder verheffen en haar hals kussen, dien zij, sinds zij naar de zaak ging, bloot, zonder lint of boord droeg. Hij zou haar niet meer uit zijn kamer laten gaan, althans niet zoolang hij leefde; zijn schrikaanjagend uiterlijk zou voor het eerst te pas komen; aan alle deuren van zijn kamer zou hij tegelijk zijn en tegen zijn aanvallers blazen; zijn zuster zou echter niet gedwongen, maar vrijwillig bij hem blijven; zij moest naast hem op de canapé zitten en haar oor naar hem toe nijgen, en hij zou haar dan toevertrouwen, dat hij vast van plan was geweest haar naar het conservatorium te zenden, en dat hij dit, wanneer het ongeluk er niet tusschen was gekomen, verleden Kerstmis — Kerstmis was toch al voorbij? — aan iedereen gezegd zou hebben, zonder zich om een of andere tegenspraak te bekommeren. Hij was besloten tot aan zijn zuster naar voren te kruipen, haar aan den rok te trekken om haar daardoor te beduiden, dat zij met haar viool toch in zijn kamer moest komen, want niemand waardeerde haar spel zoo, als hij het zou waardeeren. Was hij wel een dier, als muziek hem zoo ontroerde? Het was alsof hem de weg naar het verlangde onbekende voedsel werd gewezen. Gregor kroop nog een eind voorwaarts en hield de kop vlak langs den vloer, om zoo mogelijk haar blik op te kunnen vangen. En toch speelde zijn zuster zoo mooi! Zij hield haar gezicht zijwaarts gebogen, onderzoekend en droevig volgden haar blikken de notenbalken. Vooral de manier waarop zij alle drie uit neus en mond de rook van hun sigaren in de lucht bliezen, wees op groote nervositeit. Het had er nu werkelijk alle schijn van, alsof zij in de verwachting mooi of onderhoudend vioolspel te hooren, teleurgesteld, de heele voorstelling moe waren en zich alleen uit beleefdheid in hun rust lieten storen. De familie was geheel door het vioolspel in beslag genomen; de heeren daarentegen, die zich eerst met de handen in de broekzakken veel te dicht achter den lessenaar van zijn zuster hadden opgesteld, zoodat ze alle drie in de muziek konden zien, wat zijn zuster zeker moest hinderen, trokken zich spoedig, onder halfluide gesprekken, met gebogen hoofden, bij het raam terug, waar zij door zijn vader bezorgd gadegeslagen, ook bleven. Weliswaar lette ook niemand op hem.

E n in weerwil van dezen toestand schuwde hij niet een eind den smetteloozen vloer van de huiskamer op te kruipen. En daarbij had hij nu juist meer reden gehad, zich te verbergen, want tengevolge van het stof, dat overal in zijn kamer lag, en bij de geringste beweging rond vloog, was ook hij met stof bedekt; draden, haar, spijsresten sleepte hij op zijn rug en aan zijn zijden mee; hij was te onverschillig tegenover alles, om, zooals vroeger, verscheidene keeren daags op zijn rug te gaan liggen en zich op het kleed schoon te wrijven. Het verwonderde hem nauwelijks, dat hij den laatsten tijd zoo weinig rekening met de anderen hield; vroeger was die consideratie zijn trots geweest. Gregor had zich, aangetrokken door het spel, wat verder naar voren gewaagd, en was al met zijn hoofd in de huiskamer. Zijn zuster begon te spelen, vader en moeder volgden, ieder van hun kant, oplettend de bewegingen van haar handen.

Zijn zuster bereidde alles rustig tot het spel voor; zijn ouders, die vroeger nooit kamers verhuurd hadden, en daardoor de beleefdheid tegenover de huurders overdreven, waagden het niet op hun eigen stoelen te gaan zitten; zijn vader leunde tegen de deur, de rechterhand tusschen twee knoopen van zijn gesloten livreijas gestoken; de moeder echter werd een stoel aangeboden door een der heeren, en zij zat, daar zij den stoel liet staan, waar de heer hem toevallig had neergezet, afzijdig in een hoek. Spoedig kwam zijn vader met den lessenaar, zijn moeder met de muziek en zijn zuster met de viool. De heeren gingen naar de voorkamer terug en wachtten.” „Integendeel,” zei de middelste der heeren, „zou de juffrouw niet bij ons willen komen, en hier in de kamer spelen, waar het toch veel aangenamer en gezelliger is?” „O, graag,” riep zijn vader, alsof hij de vioolspeler was. Men moest hen van de keuken uit gehoord hebben, want zijn vader riep: „Is het spel den heeren soms onaangenaam? Er kan dadelijk mee opgehouden worden. Toen het vioolspel begon, werden zij opmerkzaam, stonden op en gingen op de teenen naar de deur van de voorkamer, waar zij op elkaar gedrongen bleven staan. De heeren hadden hun avondmaal reeds beëindigd, de middelste had een krant voor den dag gehaald, den twee anderen ieder een blad gegeven, en nu lazen zij achterover geleund en rookten. Juist op dezen avond — Gregor herinnerde zich niet in al dien tijd de viool te hebben gehoord — klonk zij uit de keuken.

„Ik heb toch trek”, zei Gregor bezorgd in zichzelf, „maar niet in deze dingen. Het verwonderde Gregor, dat men boven de velerlei geluiden van het eten altijd weer dat van hun kauwende tanden hoorde, alsof het tot Gregor moest doordringen, dat men tanden noodig had om te eten, en dat men ook met de fraaiste tandelooze kaken niets kon uitrichten. Wanneer zij dan alleen waren, aten zij bijna onder volmaakt stilzwijgen. De heeren stonden alle drie op en mompelden iets in hun baard. Toch kwam zijn vader, voordat hij naar de keuken ging, de kamer binnen en ging met een buiging, de pet in de hand, de tafel rond. De familie zelf at in de keuken.

Hij was tevreden, en moeder en zuster, die gespannen hadden toegekeken, begonnen opgelucht te glimlachen. De heeren bogen zich over de hun voorgezette schotels, als wilden zij ze vóór het eten onderzoeken en inderdaad sneed de eene, die in het midden zat en tegenover de twee anderen als autoriteit scheen te gelden, een stuk vleesch af op den schotel, klaarblijkelijk om te zien of het malsch genoeg was, en of het soms niet naar de keuken teruggestuurd moest worden. Het eten dampte met veel wasem. Dadelijk verscheen zijn moeder in de deur met een schotel vleesch, en vlak achter haar zijn zuster met een hoogopgetaste schaal aardappels. Zij gingen aan het boveneind van de tafel zitten, waar vroeger vader, moeder en Gregor gezeten hadden, vouwden hun servetten open en namen mes en vork in de hand. Maar eens had de werkster de deur naar de huiskamer op een kier laten staan, en zij bleef zoo open, ook toen de heeren ‘s avonds binnen kwamen en het licht werd opgestoken. Daar de huurders dikwijls ook hun avondeten in de gemeenschappelijke huiskamer gebruikten, bleef de huiskamerdeur vele avonden gesloten, maar Gregor deed gemakkelijk afstand van het openmaken der deur; hij had immers reeds vele avonden, waarop zij open was, niet gebruikt, maar was, zonder dat zijn familie het bemerkte, in den donkersten hoek van zijn kamer blijven liggen.

De werkvrouw was misschien van plan de dingen bij gelegenheid weer weg te halen of ze eens allemaal tegelijk weg te gooien, in werkelijkheid bleven zij liggen, waar ze waren neergekomen, als Gregor zich niet door den rommel heen werk te en ze in beweging bracht, eerst gedwongen, omdat er geen plaats meer vrij was om te kruipen, naderhand echter met steeds grooter genoegen, hoewel hij na zulke tochten, doodmoe en treurig, zich urenlang niet verroerde. Alles wat op het oogenblik maar onbruikbaar was, smeet de werkster die altijd zeer gehaast was, eenvoudig in Gregors kamer; Gregor zag gelukkig meestal alleen het bewuste voorwerp en de hand, die het vasthield. Dit alles kwam in Gregors kamer terecht, evenals de aschbak en de vuilnisemmer uit de keuken. Om deze reden waren nu veel dingen overbodig, die wel niet verkocht konden worden, maar die men toch ook niet wilde weggooien. Bovendien hadden zij voor een groot deel hun eigen meubels meegebracht. Nutteloozen of ouden rommel konden zij niet verdragen. Deze ernstige heeren — alle drie hadden zij een baard, zooals Gregor eens door een kier van de deur vaststelde —, waren pijnlijk op orde gesteld, niet alleen in hun kamer, maar daar zij nu eenmaal hier gehuurd hadden, in de geheele huishouding, en in het bijzonder in de keuken. Men had zich aangewend, dingen, die men elders niet meer gebruiken kon, in zijn kamer neer te zetten, en zulke dingen waren er thans veel, daar men een kamer der woning aan drie heeren verhuurd had. Eerst dacht hij dat het verdriet over den toestand van zijn kamer hem belette te eten; maar juist met de veranderingen in zijn kamer was hij spoedig verzoend. Alleen als hij toevallig aan het bereide voedsel voorbij kwam, nam hij spelenderwijs een hapje in den mond, hield het er urenlang in en spoog het dan meestal weer uit. Gregor at nu bijna niets meer.

„Dus verder komt het niet?” vroeg ze, toen Gregor zich weer omdraaide, en zette den stoel in den hoek neer. Maar de werkster hief, in plaats van ibang te zijn, alleen maar een bij de deur staanden stoel omhoog en zooals zij daar met wijd open mond stond, was het duidelijk haar voornemen, haar mond eerst te sluiten, wanneer de stoel in haar hand op Gregors rug neer zou komen. Had men die werkster toch liever bevolen zijn kamer dagelijks te reinigen, in plaats van hem naar believen door haar te laten storen! Eens, vroeg in den morgen — een hevige regen, misschien al een teeken van het naderende voorjaar, kletterde tegen de ruiten — was Gregor, toen de werkster weer met haar praatjes begon, zóó verbitterd, dat hij, weliswaar langzaam en wankel, naar haar toe ging, alsof hij haar wou aanvallen. In het begin riep zij hem ook, met woorden, die zij waarschijnlijk voor vriendelijk hield, zooals: „Kom eens hier, oude mestkever;” of „Kijk, die oude mestkever!” Op dergelijke aanspraken antwoordde Gregor in het geheel niet, maar bleef onbeweeglijk op zijn plaats, alsof de deur heelemaal niet open was gedaan. Sindsdien verzuimde zij niet ‘s morgens en ‘s avonds de deur een eindje te openen en naar Gregor te kijken. Zonder eenigszins nieuwsgierig te zijn, had zij toevallig de deur van Gregors kamer open gedaan, en was op het gezicht van Gregor, die geheel verrast, hoewel niemand hem joeg, heen en weer begon te loopen, blijven staan, de handen in den schoot gevouwen. Die oude weduwe, die in haar lang leven met behulp van haar sterk beendergestel het ergste wel te boven was gekomen, had geen echten afkeer van Gregor. Want nu was de werkster er nog. Maar zelfs als zijn zuster, uitgeput door haar werk, het moe geworden was voor Gregor te zorgen, zooals vroeger, dan had zijn moeder toch nog niet voor haar behoeven in te springen en Gregor had toch niet verwaarloosd behoeven te worden.

Want nauwelijks had zijn zuster ‘s avonds de verandering in Gregors kamer gezien, of zij liep diep beleedigd naar de huiskamer, en barstte in weerwil van de bezwerend opgeheven handen der moeder, in een huilkramp uit, waarbij de ouders — zijn vader was natuurlijk opgeschrikt uit zijn stoel — eerst hulpeloos en verbaasd toekeken, totdat ook zij zich begonnen te roeren, de vader rechts de moeder verweet, dat zij de reiniging van Gregors kamer niet aan zijn zuster overliet; links daarentegen zijn zuster toeschreeuwde, dat zij Gregors kamer nooit meer schoon mocht maken, terwijl zijn moeder zijn vader, die van opwinding buiten zichzelf was, in de slaapkamer trachtte te sleepen; zijn zuster schokkend van het snikken, met haar kleine vuisten de tafel bewerkte; en Gregor er luid van woede over siste, dat niemand er aan dacht de deur te sluiten en hem dit tooneel en lawaai te besparen. Eens had zijn moeder Gregors kamer aan een grondige schoonmaak onderworpen, wat haar eerst na eenige emmers water gebruikt te hebben, gelukt was — al die nattigheid hinderde Gregor ook en hij lag breed, verbitterd en onbeweeglijk op de canapé —, maar de straf bleef voor zijn moeder niet uit. Daarbij waakte zij met een geheel nieuwe prikkelbaarheid, die overigens de geheele familie had aangetast, er voor, dat het opruimen van Gregors kamer slechts haar was voorbehouden. Maar hij had daar wel weken lang kunnen blijven, zonder dat zijn zuster zich beterde, zij zag het vuil even goed als hij, maar zij was nu eenmaal besloten het zoo te laten. In den eersten tijd stelde Gregor zich bij de komst van zijn zuster in dergelijke bijzonder karakteristieke hoeken op, om haar door deze houding eenigszins een verwijt te maken. Vuile strepen liepen over de muren, hier en daar lagen proppen stof en vuil. Het opruimen van de kamer, dat nu altijd ‘s avonds gebeurde, kon niet vlugger gedaan worden. Dan weer was hij in het geheel niet in de stemming, zich om zijn familie te bekommeren, slechts woede over de slechte verzorging vervulde hem, en hoewel hij zich niets kon voorstellen waar hij trek in had, maakte hij toch plannen om in de provisiekamer te komen, om daar te nemen wat hem, ook al had hij geen honger, toch toekwam! Zonder er meer over na te denken, waarmee men Gregor een genoegen kon doen, schoof zijn zuster haastig, voor zij ‘s morgens en ‘s middags naar de zaak moest, met haar voet een of ander voedsel in Gregors kamer, om het ‘s avonds, onverschillig voor het feit, of er van het eten slechts geproefd, of — het meest voorkomende geval — het geheel onaangeroerd was, met een zwaai van den bezem naar buiten te vegen. Dikwijls dacht hij erover, bij het eerstvolgende opendoen van de deur de aangelegenheden van het gezin weer als vroeger ter hand te nemen; in zijn gedachten verschenen na langen tijd de chef en de procuratiehouder weer, de bedienden en de leerjongens, de huisknecht, die zoo slecht van begrip was, twee, drie vrienden uit andere zaken, een kamermeisje uit een hotel in de provincie, een lieve, vluchtige herinnering, een caissière uit een hoedenzaak, waar hij ernstig, maar te langzaam werk van had gemaakt, zij verschenen allen, gemengd met vreemde en reeds vergeten menschen, maar in plaats van hem en zijn familie te helpen, waren zij allen ongenaakbaar, en hij was blij als zij verdwenen.De nachten en dagen bracht Gregor bijna zonder slaap door.

E n de wond in zijn rug begon Gregor opnieuw pijn te doen, als moeder en zuster, nadat zij zijn vader naar bed hadden gebracht weer terugkwamen, het werk lieten liggen en dicht bij elkaar gingen zitten, wang aan wang; als zijn moeder dan, op Gregors kamer wijzend, zei: „Doe die deur maar dicht, Grete,” en als Gregor dan weer in het donker was, terwijl er naast de vrouwen haar tranen vermengden of met droge oogen op de tafel staarden. Zij vervulden tot het uiterste wat de wereld van arme menschen eischt; zijn vader haalde voor de lagere bankbedienden het ontbijt, zijn moeder offerde zich op voor het ondergoed van vreemde menschen, zijn zuster liep naar believen der klanten achter de toonbank heen en weer, maar verder reikten de krachten van zijn familie al niet. Maar Gregor begreep wel, dat het niet alleen consideratie voor hem was, die de verhuizing verhinderde, want men had hem immers in een passende kist met een paar luchtgaten gemakkelijk kunnen vervoeren; wat het gezin voornamelijk van verhuizen terughield, was veeleer de absolute hopeloosheid en het besef, dat zij door een ongeluk getroffen waren, als niemand uit hun geheelen familie- of kennissenkring. Maar de grootste klacht was steeds, dat men deze, voor de huidige omstandigheden veel te groote woning niet kon verlaten, daar men absoluut niet wist, hoe men Gregor zou kunnen verhuizen. Het kwam zelfs zoo ver, dat verscheidene familie-sieraden, die zijn moeder en zuster vroeger overgelukkig bij avondjes en feestelijkheden hadden gedragen, verkocht werden, zooals Gregor ‘s avonds uit het algemeene gesprek over de opbrengst begreep. Wie had, in dit overwerkte en oververmoeide gezin, tijd zich meer om Gregor te bekommeren, dan strikt noodzakelijk was? De huishouding werd nog steeds ingekrompen, het dienstmeisje werd nu toch ontslagen; een reusachtige, knokige werkster met wit haar dat om haar hoofd fladderde, kwam ‘s morgens en ‘s avonds om het ruwste werk te doen; voor al het andere zorgde, bij haar vele naaiwerk, zijn moeder.
Eerst als de vrouwen hem onder de oksels pakten, sloeg hij de oogen op, keek afwisselend moeder en zuster aan en placht te zeggen: „Wat een leven! Dat is de rust van mijn ouden dag!” En op de beide vrouwen steunend, stond hij omstandig op, alsof hij voor zichzelf de grootste last was, liet zich door de vrouwen naar de deur leiden, wees haar dan terug en ging alleen verder, terwijl de moeder haar naaigerei, de zuster haar pen ijlings neerlegde, om den vader achterna te loopen en verder behulpzaam te zijn. Hij zonk alleen nog dieper in zijn stoel. Zijn moeder trok hem aan zijn mouw, fluisterde hem vleiwoordjes in het oor, zijn zuster stond van haar werk op om haar moeder te helpen, maar dat baatte alles niets. Zijn moeder en zuster konden met lichte vermaningen nog zoo aandringen, kwartieren lang schudde hij langzaam het hoofd, hield de oogen gesloten en stond niet op. Maar met de koppigheid die, sinds hij ondergeschikte was, over hem was gekomen, stond hij er altijd op nog langer aan tafel te blijven, hoewel hij geregeld insliep, en was dan bovendien slechts met de grootste moeite te bewegen, zijn stoel voor zijn bed te verwisselen. Zoodra de klok tien uur sloeg, probeerde zijn moeder, door zachtjes tegen hem te praten, zijn vader te wekken, en hem er dan toe over te halen, naar bed te gaan, want dit was toch geen echt slapen en dat had zijn vader, die om zes uur in zijn betrekking moest zijn, zeer noodig.

Tengevolge hiervan verloor het toch al niet nieuwe uniform, niettegenstaande alle zorg van moeder en zuster, aan zindelijkheid, en Gregor keek dikwijls avonden lang, op die door en door gevlekte jas, met zijn steeds gepoetste gouden knoopen, waarin de oude man hoogst ongemakkelijk en toch rustig sliep. Uit een soort van koppigheid weigerde zijn vader, ook thuis, zijn uniform uit te doen en terwijl de huisjas nutteloos aan den kapstok hing, sluimerde zijn vader, geheel aangekleed, in zijn stoel, alsof hij steeds voor zijn dienst klaarstond en ook hier op de stem van zijn superieur wachtte.

Dikwijls werd zijn vader wakker, alsof hij in het geheel niet wist, dat hij geslapen had, zei tegen zijn moeder: „Wat naai je weer lang, vandaag” en sliep dadelijk weer in, terwijl moeder en zuster elkaar vermoeid toelachten. Het was nu gewoonlijk zeer stil, zijn vader viel gauw na het avondeten in zijn stoel in slaap, zijn moeder en zijn zuster maanden elkaar tot stilte, moeder naaide, dicht onder het licht, fijn ondergoed voor een modezaak; zijn zuster, die een betrekking als verkoopster had aangenomen, leerde ‘s avonds stenografie en Fransch, om misschien later een betere betrekking te kunnen krijgen. Wel waren het niet meer de levendige gesprekken van vroegere tijden, waaraan Gregor in de kleine hotelkamers altijd eenigszins met verlangen dacht, wanneer hij zich vermoeid tusschen de vochtige lakens had moeten uitstrekken.

En al had Gregor nu ook van zijn beweeglijkheid door zijn wond voorgoed ingeboet, en voor het oversteken van zijn kamer als een oude invalide lange, lange minuten noodig had — aan het kruipen in de hoogte behoefde hij niet te denken —, verkreeg hij voor deze verergering van zijn toestand een zijns inziens zeer ruime schadeloosstelling, die er in bestond, dat steeds tegen den avond de deur van de huiskamer, die hij reeds een of twee uur scherp in het oog hield, geopend werd, zoodat hij, terwijl hij in zijn donkere kamer lag, van de huiskamer uit onzichtbaar, de heele familie aan de verlichte tafel kon zien zitten en hun gesprekken, in zekeren zin met algemeen goedvinden, dus heel anders dan vroeger, mocht aanhooren.

De zware verwonding van Gregor, waaraan hij overigens langer dan een maand leed — de appel bleef, daar niemand hem durfde verwijderen, als een zichtbaar aandenken in zijn vleesch zitten —, scheen zelfs zijn vader er aan herinnerd te hebben, dat Gregor in weerwil van zijn huidige en afstootende gedaante, een lid van de familie was, dien men niet als een vijand mocht behandelen, maar tegenover wien de familieplicht gebood, den afkeer te bedwingen, en te verdragen, niets dan te verdragen.

3

Met zijn laatsten blik zag hij nog, hoe de deur van zijn kamer werd opengerukt, en hoe zijn moeder voor zijn schreiende zuster uit ijlde, in haar hemd, want zijn zuster had haar uitgekleed om haar in haar flauwte lucht te geven; hoe toen zijn moeder naar zijn vader toeliep en hoe onderwijl haar losgemaakte rokken, de een na de ander op den grond gleden, en hoe zij struikelend over de rokken op zijn vader toesnelde, en, terwijl zij hem omarmde, nu geheel met hem vereenigd — nu liet Gregors gezichtsvermogen hem echter reeds in den steek — de armen om het hoofd van zijn vader, hem smeekte Gregors leven te sparen. Maar een, die er dadelijk achterna vloog, drong letterlijk in Gregors rug; Gregor wilde zich verder sleepen, alsof de plotselinge, ongelooflijke pijn met het veranderen van plaats zou kunnen verdwijnen; doch hij voelde zich als vastgenageld en strekte zich in absolute zinsverbijstering uit. Een zacht gegooide appel raakte Gregors rug, gleed er echter zonder schade te veroorzaken weer af. Die kleine roode appels rolden als geëlectriseerd over den grond, en stootten tegen elkaar. Uit de fruitschaal op het buffet had hij zijn zakken gevuld, en gooide nu, zonder voorloopig precies te mikken, appel na appel. Gregor bleef van schrik stilstaan, verder loopen was nutteloos, want zijn vader had besloten hem te bombardeeren. Het was een appel; tegelijk vloog een tweede er achteraan. Terwijl hij nu zoo verder sukkelde, om al zijn krachten voor het loopen te verzamelen, in zijn botheid in het geheel niet aan een andere redding dan loopen dacht, en al bijna vergeten was dat de muren voor hem beschikbaar waren, die hier overigens door kunstig gesneden meubels vol hoeken en kanten versperd waren — vloog er vlak naast hem, zachtjes gegooid, iets op den grond en rolde voor hem uit. Hij begon al buiten adem te raken, daar hij ook vroeger geen al te betrouwbare longen had gehad. In ieder geval moest Gregor bekennen, dat hij zelfs dit loopen niet lang zou uithouden; want terwijl zijn vader één pas deed, moest hij een groot aantal bewegingen maken. Daarom bleef Gregor ook op den grond, vooral vreesde hij, dat zijn vader een vlucht op den muur of op het plafond voor buitengewone boosaardigheid zou kunnen houden. Zoo gingen zij herhaaldelijk de kamer rond, zonder dat er iets beslissends gebeurde, ja, zonder dat het geheel, tengevolge van het langzame tempo, den schijn van een achtervolging had. En dus liep hij voor zijn vader uit, hield stil, wanneer zijn vader bleef staan, en ijlde weer voorwaarts, wanneer zijn vader zich maar roerde. Maar daar bleef hij niet bij stilstaan, hij wist immers van den eersten dag van zijn nieuwe leven af, dat zijn vader meende, dat tegenover hem slechts de grootste strengheid op zijn plaats was. Hij wist zelf waarschijnlijk niet, wat hij wilde doen, maar hij lichtte zijn voeten buitengewoon hoog op, en Gregor verbaasde zich over de reusachtige afmeting van zijn schoenzolen. Hij gooide zijn pet, waar een gouden monogram op stond, waarschijnlijk van een bank, door de geheele kamer in een wijden boog op de canapé, en kwam, de panden van zijn lange uniformjas omgeslagen, de handen in de broekzakken, met een verbeten gezicht op Gregor af.

Maar toch, maar toch, was dat nog zijn vader? Dezelfde man, die moe in bed lag, als Gregor vroeger op een zakenreis was gegaan; die hem ‘s avonds bij thuiskomst ongekleed in een armstoel ontvangen had, niet goed in staat was op te staan, maar ter verwelkoming de armen had uitgebreid, en die bij de zelden voorkomende gemeenschappelijke wandelingen, een paar Zondagen per jaar, en op de grootste feestdagen, zich tusschen Gregor en zijn moeder, die toch al langzaam liepen, altijd nog wat langzamer, in zijn oude jas gewikkeld, met steeds voorzichtig tastenden krukstok, moeizaam voortbewoog, en als hij wat zeggen wilde, altijd stilstond, en zijn begeleiders om zich heen verzamelde? N u echter stond hij flink rechtop, in een stijf blauw uniform met koperen knoopen, zooals het personeel van bankinstellingen draagt, gekleed; boven den hoogen stijven kraag van zijn jas ontwikkelde zich zijn flinke onderkin, onder de borstelige wenkbrauwen keken de zwarte oogen levendig en oplettend uit; het vroeger verwarde, witte haar was in een pijnlijk correct, glanzend kapsel gekamd. Wel had hij den laatsten tijd door het nieuwe rondkruipen nagelaten zich, zooals vroeger, om de gebeurtenissen in huis te bekommeren, en had er eigenlijk op voorbereid moeten zijn, veranderde toestanden aan te treffen. Zoo inderdaad had hij zich zijn vader niet voorgesteld, zoo, als hij daar nu stond. Gregor trok het hoofd van de deur weg en wendde het zijn vader toe. „Ah!” riep hij dadelijk bij het binnenkomen, alsof hij tegelijk woedend en vroolijk was. Maar zijn vader was niet in de stemming om zulke subtiliteiten op te merken. E n daarom vluchtte hij naar de deur van zijn kamer en drukte er zich tegenaan, zoodat zijn vader meteen bij het binnenkomen uit de voorkamer kon zien, dat Gregor de beste bedoelingen had en dat het niet noodig was, hem terug te jagen; men behoefde de deur maar te openen en hij zou onmiddellijk verdwijnen. Gregor moest zijn vader dus eerst trachten te kalmeeren, want voor verklaringen ontbrak hem de tijd en de mogelijkheid.” Het was Gregor duidelijk, dat zijn vader Grete’s al te korte mededeeling ongunstig had uitgelegd, en veronderstelde dat Gregor zich aan een of andere gewelddaad had schuldig gemaakt.” „Dat heb ik wel verwacht,” zeide zijn vader, „ik héb het jullie toch altijd gezegd, maar jullie vrouwen willen niet hooren. Grete antwoordde met doffe stem, waarschijnlijk drukte zij haar gezicht tegen vaders borst: „Moeder was flauw gevallen, maar het gaat al beter, Gregor is losgebroken. „Wat is er gebeurd?” waren zijn eerste woorden; Grete’s uiterlijk had hem zeker alles verraden. Het was zijn vader. Het meisje was natuurlijk in de keuken opgesloten, en Grete moest dus opendoen. Opeens werd er gebeld. Er ging een oogenblik voorbij, Gregor bleef er mat liggen, het was stil om hem heen, misschien was dat een goed teeken.

Gregor was nu van zijn moeder afgesloten, die door zijn schuld misschien den dood nabij was; hij mocht de deur niet open maken, wilde hij zijn zuster, die bij zijn moeder moest blijven, niet verjagen; en hij kon niets anders doen, dan wachten, en, door zelfverwijt en ongerustheid gekweld, begon hij te kruipen, kroop over alles heen, muren, meubels en plafond en viel ten slotte, toen de heele kamer al om hem heen begon te draaien, midden op de groote tafel. Zij liep naar de andere kamer, om een of ander middel te halen, waarmee zij haar moeder uit haar flauwte kon opwekken; Gregor wilde ook helpen — de redding van de plaat had nog den tijd — ; hij kleefde echter aan het glas vast en moest zich met geweld lostrekken; hij liep toen ook naar de andere kamer, alsof hij zijn zuster een of andere raad kon geven, zooals vroeger; maar hij moest werkeloos achter haar blijven staan; terwijl zij in allerlei fleschjes rommelde, maakte hij haar nog aan het schrikken, toen zij zich omdraaide; er viel een flesch op den grond en brak; een scherf verwondde Gregor in het gezicht, een of andere bijtende medicijn stroomde langs hem heen; Grete nam nu zonder zich langer op te houden, zooveel fleschjes, als zij maar dragen kon, en rende daarmee naar haar moeder terug; de deur sloeg zij met haar voet dicht. Het waren, sinds de gedaanteverwisseling, de eerste woorden, die zij direct tot hem richtte. „Ach jij, Gregor!” riep zijn zuster met gebalde vuist en doordringenden blik. Maar Grete’s woorden hadden de moeder pas goed onrustig gemaakt, zij ging opzij, zag de reusachtige bruine vlek op het gebloemde behangsel, riep, voor het eigenlijk tot haar doordrong dat het Gregor was, wat zij zag, met schreeuwend, rauw geluid: „O God, o God!” en viel met uitgespreide armen, alsof zij alles prijsgaf, dwars over de canapé en verroerde zich niet.

N u , dat kon zij altijd probeeren! Hij zat op zijn plaat en gaf haar niet prijs. Zij behield, waarschijnlijk alleen door de aanwezigheid der moeder haar zelfbeheersching, boog haar gezicht naar haar moeder om deze te verhinderen om zich heen te kijken en zei, toch bevend en verward: „Kom, zullen wij liever niet nog een oogenblik naar de huiskamer gaan?” Grete’s doel was Gregor duidelijk, zij wilde haar moeder in veiligheid brengen, en hem dan van den muur jagen. Toen kruisten haar blikken die van Gregor aan den muur. „En wat nemen wij nu?” zei Grete en keek om zich heen. Zij hadden zich niet veel rust gegund en kwamen alweer terug; Grete had haar arm om zijn moeder geslagen en droeg haar bijna. Hij draaide het hoofd naar de deur van de huiskamer, om de vrouwen bij haar terugkeer gade te slaan. Deze plaat, die Gregor nu geheel bedekte, zou nu zeker niemand wegnemen. En zoo kwam hij dus opeens voor den dag — de vrouwen leunden juist in de kamer er naast tegen de schrijftafel om even uit te blazen — , veranderde viermaal van richting, hij wist werkelijk niet wat hij het eerst zou redden, toen zag hij plotseling aan den overigens al leegen muur in het oogspringend de afbeelding van de geheel in bont gekleede dame hangen, kroop er snel op en drukte zich tegen het glas, dat hem vasthield en zijn heeten buik aangenaam aandeed.

Zij haalden zijn kamer leeg; namen alles weg wat hem lief was; de kast, waarin zijn figuurzaag en andere gereedschappen lagen, hadden zij al weggedragen; maakten nu de stevig in den vloer geklemde schrijftafel los, waaraan hij als student aan de handelsschool, als mulo-scholier, ja zelfs al als leerling van de lagere school zijn huiswerk gemaakt had, — toen had hij toch werkelijk geen tijd meer de goede bedoeling te onderzoeken, die de twee vrouwen hadden, wier bestaan hij overigens bijna vergeten was, want van uitputting werkten zij nu stilzwijgend, en men hoorde alleen het zware klossen van haar voeten.Hoewel Gregor zich voortdurend vóórhield dat er toch niets buitengewoons gebeurde, maar er alleen een paar meubels verzet werden, werkte, zooals hij zich spoedig bewust werd, toch dat heen en weer loopen der vrouwen, haar korte uitroepen, het krassen der meubels op den vloer, als een groote, van alle kanten aankomende verwarring op hem, en hij kon zich niet verhelen, hoe vast hij kop en pooten ook introk, en zijn lichaam tegen den grond drukte, dat hij dat alles niet lang meer zou uithouden.

Zij stokte, stond een oogenblik stil en ging toen naar Grete terug. Dat was genoeg om de aandacht van zijn moeder te trekken. Hij kon echter niet meer verhinderen dat het laken eenigszins bewoog. De moeder was echter niet aan het gezicht van Gregor gewend, het zou haar ziek kunnen maken, dus deinsde Gregor verschrikt achteruit, tot aan den anderen kant van de canapé. Maar ongelukkigerwijze was het juist zijn moeder die het eerst terugkwam, terwijl Grete in de kamer ernaast de kast vasthield en haar alleen heen en weer schoof, zonder haar natuurlijk van haar plaats te krijgen. En nauwelijks hadden de vrouwen met de kast, waar zij zich steunend tegenaan drukten, de kamer verlaten, toen Gregor het hoofd onder de canapé uitstak, om te zien, hoe hij voorzichtig en zoo kiesch mogelijk kon ingrijpen. Nu, de kast kon Gregor desnoods wel missen, maar de schrijftafel moest toch blijven.En dus liet zij zich niet van haar besluit afbrengen door haar moeder, die ook in deze kamer, enkel en alleen uit onrust, onzeker scheen te zijn, spoedig verstomde en zijn zuster, zoover haar krachten het toelieten, met het verwijderen van de kast hielp.

Want in een kamer, waar Gregor geheel alleen over de leege muren heerschte, zou wel geen mensch buiten Grete ooit durven binnengaan. Misschien was evenwel de dweepzucht van meisjes van haar leeftijd, die bij iedere gelegenheid bevrediging zoekt, ook in het spel, waardoor Grete zich nu liet verleiden den toestand van Gregor nog schrikaanjagender te maken, om dan nog meer dan tot heden voor hem te kunnen doen. Het was natuurlijk niet alleen kinderlijke trots en het in den laatsten tijd zoo onverwacht en moeilijk verworven zelfvertrouwen, dat haar tot dezen eisch bracht; zij had toch ook inderdaad opgemerkt, dat Gregor veel ruimte noodig had om te kruipen, daarentegen de meubels, voor zoover men zien kon, in het geheel niet gébruikte. Maar zijn zuster was helaas van andere gedachten; zij had zich eigenlijk, niet geheel ten onrechte, aangewend bij de bespreking van Gregors aangelegenheden als bijzonder ter zake kundig tegenover zijn ouders op te treden, en zoo was ook nu de raad van zijn moeder voor zijn zuster reden genoeg, om niet alleen op het verwijderen van de kast en de schrijftafel, maar ook op het verwijderen van alle meubels te staan, met uitzondering van de onontbeerlijke canapé.

Er moest niets verwijderd worden, alles moest zoo blijven, den goeden invloed van de meubels op zijn toestand kon hij niet missen, en als de meubels hem het zinnelooze rondkruipen verhinderden, dan was dat geen nadeel, doch een groot voordeel. Had hij er werkelijk zin in, de warme, met geërfde meubels gezellig ingerichte kamer in een hol te laten veran- deren, waar hij dan wel in alle richtingen ongestoord zou kunnen rondkruipen, maar dan ook tegelijkertijd snel en totaal zijn menschelijk verleden vergat? Hij was immers nu al op weg te vergeten, en alleen de sinds lang niet géhoorde stem van zijn moeder had hem wakker geschud.” Bij het hooren van deze woorden besefte Gregor dat het gemis aan ieder direct menschelijk contact, verbonden aan het eentonige leven temidden der familie, in den loop van deze twee maanden zijn verstand zeker in de war had gebracht, anders kon hij zich niet verklaren, hoe hij er in ernst naar had kunnen verlangen, dat zijn kamer leeggeruimd zou worden. „En is het dan niet,” besloot de moeder zachtjes, terwijl zij voortdurend al bijna fluisterde, alsof zij wilde vermijden, dat Gregor, wiens schuilplaats zij immers niet wist, ook maar den klank van haar stem hoorde, want dat hij de woorden niet begreep, daarvan was zij overtuigd, „en is het dan niet juist, alsof wij door het wegnemen van de meubels toonen, dat wij iedere hoop op beterschap opgeven en hem onverschillig aan zijn lot overlaten? Ik geloof dat het beter zou zijn, als wij probeerden, de kamer in denzelfden toestand te houden, waarin zij vroeger was, zoodat Gregor, wanneer hij weer bij ons terug komt, alles onveranderd vindt, en des te gemakkelijker den daartusschen liggenden tijd kan vergeten. Zij meende, dat het tegendeel het geval was; het gezicht van den leegen muur beklemde haar, en waarom zou Gregor dat ook niet ondervinden, daar hij toch allang aan de meubels gewend was, en zich dus in de leege kamer verlaten zou voelen. Na zeker een kwartier werken, zei zijn moeder, dat zij de kast toch liever moesten laten staan, want ten eerste was zij te zwaar, zij zouden voor vaders terugkeer niet klaar zijn en met de kast in het midden Gregor den weg geheel versperren, maar ten tweede was het toch heelemaal niet zeker, dat zij Gregor met het verwijderen van de meubels een genoegen deden. Het ging zeer langzaam. Gregor hoorde nu, hoe de twee zwakke vrouwen de betrekkelijk zware oude kast van zijn plaats schoven, en hoe zijn zuster voortdurend het grootste deel van het werk voor haar rekening nam, zonder naar de waarschuwingen der moeder te luisteren, die bang was, dat zij zich te veel inspande. „Kom maar, u kunt hem niet zien,” zei zijn zuster, en leidde klaarblijkelijk zijn moeder bij de hand. Hij zag er van af zijn moeder dezen keer al te zien en was al blij, dat zij nu toch gekomen was. Gregor liet het ook ditmaal na onder het laken uit te gluren. Gregor had haastig het laken nog verder en meer in plooien getrokken, het zag er werkelijk uit als een laken, dat toevallig op de canapé was gegooid. Eerst keek zijn zuster natuurlijk na, of alles in orde was, toen eerst liet zij zijn moeder binnenkomen. Met opgewonden vreugdekreten kwam zijn moeder dan ook aanloopen, maar zij verstomde voor de deur van Gregors kamer. Nu was zij echter niet in staat, dat alleen te doen; haar vader durfde zij niet om hulp vragen, het dienstmeisje zou het zeker niet gedaan hebben, want dit ongeveer zestienjarige meisje hield het wel na het ontslag van de keukenmeid dapper uit, maar zij had als een gunst verzocht, de keukendeur altijd afgesloten te mogen houden, zoodat zij alleen maar op speciaal roepen behoefde open te doen; zijn zuster bleef dus niets anders over, dan, bij afwezigheid van zijn vader, zijn moeder te halen. Maar zijn zuster merkte de nieuwe bezigheid dadelijk op — hij liet ook bij het kruipen hier en daar sporen van zijn kleefstof achter —, en toen zette zij het zich in haar hoofd, Gregor het kruipen zoo gemakkelijk mogelijk te maken, en de meubels, die het verhin- derden, dus vooral de kasten en de schrijftafel, weg te halen. Maar hij had zijn lichaam nu natuurlijk heel anders in zijn macht dan vroeger, en werd zelfs bij zoo’n grooten val niet gekwetst. Vooral boven aan den zolder hing hij graag; het was heel iets anders dan het liggen op den grond; men ademde vrijer; er ging een lichte deining door het lichaam, en in de bijna gelukkige verstrooidheid, waarin Gregor zich daarboven bevond, gebeurde het wel eens, dat hij zich, tot zijn eigen verbazing, losliet en op den grond plofte. Overdag wilde Gregor zich terwille van zijn ouders niet aan het raam vertoonen; kruipen kon hij evenwel op de paar vierkante meter van den vloer ook niet veel, het stilliggen verdroeg hij ‘s nachts al moeilijk, eten was al gauw geen genoegen meer voor hem, en zoo nam hij, als afleiding, de gewoonte aan, kris-kras over de muren en het plafond te kruipen. Gregors wensch, zijn moeder te zien, werd spoedig vervuld.

Maar naderhand moest men haar met geweld tegenhouden, en als zij dan riep: „Laat mij toch naar Gregor gaan, hij is immers mijn ongelukkige zoon! Begrijpen jullie dan niet, dat ik naar hem toe moet?”, dan dacht Gregor, dat het misschien toch goed zou zijn, als zijn moeder kwam; niet iederen dag natuurlijk, maar misschien eens i n de week; zij begreep alles toch veel beter dan zijn zuster, die in weerwil van al haar moed toch nog maar een kind was en ten slotte misschien alleen uit kinderlijke lichtzinnigheid zoo’n zware taak op zich had genomen. De moeder wilde overigens Gregor betrekkelijk gauw gaan opzoeken, maar zijn vader en zijn zuster hielden haar eerst met redeneeren daarvan terug, waar Gregor oplettend naar luisterde en ook geheel mee instemde. N u echter wachtten zij dikwijls beiden, vader en moeder, voor Gregors kamer, terwijl zijn zuster daar opruimde, en nauwelijks was zij er uit gekomen, of zij moest precies vertellen, hoe het er in de kamer uitzag, wat Gregor gegeten had, hoe hij zich dezen keer gedragen had en of er misschien niet een lichte vooruitgang te bespeuren was. De eerste veertien dagen konden zijn ouders het niet over zich verkrijgen, bij hem binnen te komen, en hij hoorde dikwijls hoe zij het huidige werk van zijn zuster hoog waardeerden, terwijl zij zich tot dusver vaak over haar geërgerd hadden, omdat zij hun als een zoo goed als nutteloos meisje was voorgekomen.

Wanneer volgens haar dat laken niet noodig was geweest, had zij het immers weer kunnen verwijderen, want dat het niet voor zijn genoegen was, dat hij zich zoo heelemaal opsloot, was toch duidelijk genoeg; maar zij liet het laken waar het was, en Gregor geloofde zelfs een dankbaren blik te hebben opgevangen, toen hij het laken met zijn hoofd eens voorzichtig wat oplichtte, om te zien, hoe zijn zuster de nieuwe regeling opnam. Om haar dit gezicht te besparen, droeg hij op zekeren dag — hij had vier uur voor dat werk noodig — het beddelaken op zijn rug naar de canapé en schikte het zoo, dat hij nu heelemaal bedekt was, en zijn zuster zelfs als zij zich bukte, hem niet kon zien. Hij begreep daaruit dat zijn aanblik nog altijd onverdraaglijk voor haar was, en ook verder onverdraaglijk zou blijven, en dat zij zich wel zeer moest beheerschen, om zelfs bij den aanblik van het kleine gedeelte van zijn lichaam, dat onder de canapé uitstak, niet weg te loopen. Natuurlijk verschool Gregor zich dadelijk onder de canapé, maar hij moest tot ‘s middags wachten eer zijn zuster terug kwam, en zij leek veel onrustiger dan anders. Maar zij kwam niet alleen niet binnen, maar zij deinsde terug en sloot de deur; een vreemde had kunnen denken, dat Gregor op haar loerde en haar had willen bijten. Het zou Gregor niet verbaasd hebben, als zij niet binnen was gekomen, daar hij haar door zijn positie verhinderde, dadelijk het raam te openen. Eens, er was wel een maand sedert Gregors gedaanteverwisseling voorbijgegaan, en er was voor zijn zuster toch geen bijzondere reden meer zich over Gregor’s uiterlijk te verbazen, kwam zij wat vroeger dan gewoonlijk en trof Gregor nog aan, terwijl hij onbeweeglijk en echt om van te schrikken uit het raam keek.

Met dit loopen en lawaai verschrikte zij Gregor dagelijks twee keer; den geheelen tijd beefde hij onder de canapé en wist toch heel goed, dat zij hem dit graag bespaard zou hebben, wanneer het haar maar mogelijk zou zijn geweest, met een gesloten raam in een kamer te zijn, waarin Gregor zich bevond. Nauwelijks was zij binnen, of zij liep, zonder zich tijd te gunnen de deur te sluiten, — hoezeer zij er anders altijd voor zorgde, iedereen den aanblik van Gregors kamer te besparen —, regelrecht naar het raam, en rukte het, alsof zij bijna stikte, haastig open, bleef ook, al was het nog zoo koud, een oogenblik bij het raam en ademde diep. Haar binnenkomen was voor hem al verschrikkelijk. Zijn zuster probeerde weliswaar de pijnlijkheid van alles zooveel mogelijk te verdoezelen, en hoe meer tijd er overheen ging, des te beter gelukt haar dat natuurlijk ook, maar ook Gregor zag na verloop van tijd alles veel duidelijker. Als Gregor nu met zijn zuster had kunnen praten en haar voor alles had kunnen bedanken, wat zij voor hem doen moest, dan had hij haar diensten gemakkelijk kunnen verdragen; nu echter leed hij er onder.

Slechts twee keer had de attente zuster behoeven te zien, dat de stoel bij het raam stond, om reeds iederen keer, als zij de kamer had opgeruimd, den stoel weer precies eender bij het raam te schuiven, ja, zelfs van toen af de binnenste raamhelft open te laten. Want van dag tot dag zag hij de dingen op slechts geringen afstand, steeds onduidelijker; het ziekenhuis aan den overkant, waarvan hij den voortdurenden aanblik vroeger dikwijls verwenscht had, kon hij nu in het geheel niet meer zien, en als hij niet zeker geweten had, dat hij in de stille, maar echt steedsche Charlottenstrasse woonde, had hij kunnen gelooven, dat hij van zijn raam uit in een woestenij keek, waar de grijze hemel en de grijze aarde onmerkbaar in elkaar overgingen. O f hij zag er niet tegenop, niettegenstaande de groote moeite, een stoel naar het raam te schuiven, dan op de vensterbank te kruipen en, zich schrap zettend in den stoel, tegen het raam te leunen, alleen klaarblijkelijk om de een of andere herinnering aan het bevrijdende gevoel, dat er vroeger voor hem was geweest, uit het raam te kijken. Dikwijls lag hij daar den heelen langen nacht, sliep geen oogenblik en schuifelde urenlang over het leer.

En zou zijn oude moeder misschien geld moeten verdienen, die aan asthma leed, die he loopen door het huis al inspanning kostte, en die om den anderen dag met een benauwdheid op de sofa voor het open raam lag? E n moest zijn zuster geld verdienen, die met haar zeventien jaar nog een kind was, en aan wie haar tegenwoordige levenswijze, die daaruit bestaan had, zich netjes te kleeden, lang te slapen, in de huishouding te helpen, een paar bescheiden genoegens te hebben, en bovenal viool te spelen, zoozeer gegund moest worden? Wanneer het gesprek op de noodzakelijkheid van geldverdienen kwam, liet Gregor in het eerst altijd de deur los en wierp zich op de naast de deur staande, koele, met leer overtrokken sofa, want hij werd warm van schaamte en verdriet. N u was zijn vader weliswaar een gezonde, maar een oude man, die al vijf jaar niet had gewerkt en in ieder geval niet tot veel in staat was; hij was in die vijf jaar, die de eerste vacantie van zijn hard en toch mislukt leven waren, zeer dik geworden en bepaald log. Het was dus feitelijk alleen een bedrag, waar men eigenlijk niet aan mocht komen, en dat voor geval van nood bewaard moest worden; het geld om van te leven moest echter verdiend worden. Het was misschien genoeg om zijn familie één, ten hoogste twee jaar te onderhouden, meer was het niet. N u was dat geld echter in het geheel niet zooveel, dat zijn familie van de rente eenigszins kon leven.

Eigenlijk had hij toch met het overgeschoten geld zijn vaders schuld tegenover den chef verder kunnen aflossen en de dag, waarop hij dit baantje had kunnen opgeven, zou heel wat dichterbij zijn geweest, maar nu was het ongetwijfeld beter zóó, als zijn vader het had geregeld. Achter zijn deur knikte Gregor ijverig, verheugd over die onverwachte voorzichtigheid en spaarzaamheid. Bovendien was het geld, dat Gregor iedere maand naar huis had gebracht — hij had maar een paar gulden voor zich zelf gehouden — , niet geheel gebruikt en was tot een klein kapitaaltje aangegroeid.Gregor hoorde nu voldoende — want zijn vader placht zijn verklaringen vaak te herhalen, gedeeltelijk, omdat hijzelf zich in lang niet met deze zaken had beziggehouden, gedeeltelijk ook, omdat zijn moeder niet alles dadelijk, den eersten keer, verstond —, dat in weerwil van allen tegenspoed een, weliswaar zeer klein, vermogen uit den ouden tijd nog aanwezig was, dat door de niet aangeroerde renten in den tusschentijd eenigszins was vermeerderd.

„Wat haalt hij nu weer uit!” zei zijn vader na een poosje, klaarblijkelijk naar de deur toegewend, en dan pas werd het afgebroken gesprek langzamerhand weer opgevat. Vaak kon hij van vermoeidheid heelemaal niet meer luisteren en liet het hoofd slap tegen de deur slaan, maar hij hield het onmiddellijk weer stijf, want zelfs het zachte gedruisch, dat hij daardoor veroorzaakt had, was er naast gehoord en had hen allen doen verstommen. Dergelijke, in zijn tegenwoordigen toestand geheel nuttelooze gedachten gingen hem door het hoofd, terwijl hij daar rechtop tegen de deur kleefde en luisterde.

Vaak werd in Gregors korte verblijven in de stad, in gesprekken met zijn zuster, het conservatorium genoemd, maar altijd als een droom, aan welks verwezenlijking niet gedacht kon worden, en zijn ouders hoorden die onschuldige toespelingen niet eens graag; maar Gregor dacht er zeer ernstig aan en was van plan het op Kerstavond plechtig mee te deelen. Alleen zijn zuster was Gregor nog na gebleven, en hij had een geheim plan, haar, die in tegenstelling met Gregor, zeer veel van muziek hield, en ontroerend viool kon spelen, het volgend jaar, zonder acht te slaan op de groote kosten, die dat zou meebrengen, en die men wel op een andere manier zou weten te bestrijden, naar het conservatorium te zenden. Men was er aan gewend geraakt, zoowel de familie als Gregor; men nam het geld dankbaar aan, hij stond het graag af, maar tot een bijzonder warm gevoel kon het niet meer leiden. Het was een mooie tijd geweest en nooit had hij zich naderhand, althans niet met dien glans, herhaald, hoewel Gregor naderhand zooveel geld verdiende, dat hij in staat was, de uitgaven van de geheele familie te bekostigen, en dat dan ook deed. En zoo was hij indertijd met buitengewoon vuur aan het werk gegaan, en was onverwacht snel van een kleinen bediende reiziger geworden, die natuurlijk geheel andere mogelijkheden had om geld te verdienen, en wiens succes in zaken oogenblikkelijk in den vorm van provisie in contant geld veranderde, dat hij voor de verbaasde en verheugde familie op tafel kon leggen. Gregors zorg had er indertijd alleen in bestaan, alles in het werk te stellen, om de familie het ongeluk in zaken, dat hen allen in een absoluut hopeloozen toestand had gebracht, zoo snel mogelijk te doen vergeten. Hij had gemeend, dat zijn vader van die zaak niet het geringste was overgebleven, althans zijn vader had hem het tegendeel niet gezegd, en Gregor had er hem ook niet naar gevraagd. Deze verklaringen van zijn vader waren gedeeltelijk het eerste verblijdende, dat Gregor gedurende zijn gevangenschap te hooren kreeg. Men hoorde hoe hij het gecompliceerde slot opende en het, na er het gezochte uitgenomen te hebben, weer sloot. N u en dan stond hij van tafel op en haalde uit zijn kleine Wertheim-kassa, die uit den ondergang van zijn zaak, die vijf jaar geleden had plaats gehad, gered was, een of ander document of notitieboek. A l in den loop van den eersten dag legde zijn vader zijn finantieelen toestand en vooruitzichten, zoowel aan zijn moeder als aan zijn zuster bloot.

Dikwijls vroeg zijn zuster aan zijn vader of hij bier wilde hebben, en hartelijk bood zij aan het zelf te gaan halen en als zijn vader zweeg, zei ze, om ieder bezwaar uit den weg te ruimen, dat zij het ook aan de concierge kon vragen, maar dan zei zijn vader eindelijk hard: „Neen”, en er werd niet verder over gesproken. Gedronken werd er misschien ook niets. Voortdurend hoorde Gregor hoe de een den ander tot eten aanspoorde, en geen ander antwoord kreeg, dan: „Dank je, ik heb genoeg” of zooiets.N u moest zijn zuster samen met zijn moeder ook koken; ten slotte gaf dat niet veel werk, want men at haast niets.

Ook het dienstmeisje was direct op den eersten dag — het was niet geheel duidelijk wat en hoeveel zij van het gebeurde wist — voor zijn moeder op de knieën gevallen, en had haar gesmeekt haar dadelijk te laten gaan en toen zij na een kwartier afscheid nam, bedankte zij onder tranen voor het ontslag, als voor de grootste weldaad, die men haar hier bewezen had, en zij deed een duren eed, zonder dat men het van haar verlangde, aan niemand ook maar het geringste te verraden. Gedurende twee dagen vielen er bij alle maaltijden beraadslagingen over te hooren, hoe men zich nu gedragen moest; maar ook tusschen de maaltijden sprak men over datzelfde thema, want er waren altijd ten minste twee familieleden thuis, omdat niemand alleen thuis wilde blijven, en men de woning toch in geen geval geheel verlaten kon. Vooral in den eersten tijd was er geen gesprek, dat niet op de een of andere manier, al was het ook in het geheim, over hem ging. Maar terwijl Gregor rechtstreeks geen nieuws te weten kon komen, drong er toch veel uit de belendende kamers tot hem door, en als hij ook maar stemmen hoorde, liep hij dadelijk naar de betrokken deur, en drukte er zich met zijn geheele lichaam tegen aan.

„Vandaag heeft het hem toch gesmaakt,” zei ze, wanneer Gregor het eten flink had aangesproken, terwijl zij in het tegenovergestelde geval, dat langzamerhand steeds vaker voorkwam, bijna treurig placht te zeggen: „Nu heeft hij alles weer laten staan!” Pas later, toen zij een beetje aan alles gewend was — van heelemaal wennen kon natuurlijk nooit sprake zijn —, ving Gregor dikwijls een opmerking op, die vriendelijk bedoeld was, of zoo uitgelegd kon worden.
Welke uitvluchten men dien eersten ochtend gebruikt had om den dokter en den smid weer uit het huis te krijgen, daar kon Gregor niet achter komen, want daar men hem niét kon verstaan, dacht niemand er aan, ook zijn zuster niet, dat hij de anderen kon verstaan en zoo moest hij, wanneer zijn zuster in zijn kamer was, er genoegen mee nemen, alleen zoo nu en dan haar zuchten en het aanroepen der heiligen te hooren.
Wellicht wilde zijn zuster hun een misschien slechts kleine verdrietelijkheid besparen, want zooals het was leden zij al genoeg. Zeker wenschten ook zij niet, dat Gregor verhongerde, maar misschien zouden zij het niet hebben kunnen verdragen, van zijn eten meer te weten als van hooren zeggen. Op die manier kreeg Gregor nu dagelijks zijn eten, een keer ‘s morgens, als zijn ouders en het dienstmeisje nog sliepen, den tweeden keer na den algemeenen middagmaaltijd, want dan sliepen zijn ouders ook nog even, en het dienstmeisje werd door zijn zuster met een of andere boodschap weggestuurd.
Nauwelijks had zij zich omgedraaid, of Gregor kwam onder de canapé uit, rekkend en blazend. Onder kleine aanvallen van benauwdheid keek hij er met ietwat uitpuilende oogen naar, hoe de niets vermoedende zuster met een bezem, niet alleen de overblijfselen bij elkaar veegde, maar zelfs de spijzen, die Gregor in het geheel niet had aangeroerd, alsof die dus ook niet meer te gebruiken waren, en hoe zij alles in een emmer gooide, dien zij met een houten deksel sloot, waarna zij alles naar buiten droeg. Maar het kostte hem groote zelfbeheersching, zelfs maar den korten tijd, dien zijn zuster in de kamer was, onder de canapé te blijven, want door het overvloedige eten was zijn lijf eenigszins opgezet, en hij kon in die nauwe schuilplaats bijna niet ademen. Dat schrikte hem dadelijk op, hoewel hij bijna sliep, en hij ijlde weer onder de canapé. Hij was al lang met alles klaar en lag nog lui op dezelfde plaats, toen zijn zuster als een teeken dat hij zich terug moest trekken, langzaam den sleutel omdraaide. Vlug achter elkaar en met oogen die van voldoening traanden, at hij de kaas, de groente en de saus op; het versche voedsel smaakte hem daarentegen niet, hij kon er niet eens den reuk van verdragen, en sleepte de zaken die hij eten wilde, een eindje verder weg. „Zou ik nu minder fijngevoelig zijn?” daoht hij en zoog al begeerig aan de kaas, waartoe hij zich voor alle andere spijzen dadelijk en duidelijk had aangetrokken gevoeld. Zijn wonden moesten overigens ook heelemaal genezen zijn, hij had er geen hinder meer van, hij was er verbaasd over en dacht er aan, hoe hij zich, meer dan een maand geleden, met een mes een klein beetje in zijn vinger had gesneden, en hoe hem die wond eergisteren nog pijn genoeg had gedaan. Gregors pootjes snorden, nu het op het eten afging. En uit fijngevoeligheid, daar zij wist, dat Gregor in haar tegenwoordigheid niet zou eten, verwijderde zij zich haastig en draaide zelfs den sleutel om, waaruit Gregor kon begrijpen, dat hij het zich zoo gemakkelijk kon maken als hij maar wilde. Bovendien zette zij bij dit alles nog de waarschijnlijk voorgoed voor Gregor bestemde kom neer, waarin zij water had geschonken. Er was oude, halfrotte groente; beenen van het avondmaal, die door gestolde, witte saus waren omgeven; een paar rozijnen en amandelen; kaas, die Gregor twee dagen geleden oneetbaar had verklaard; een droog stuk brood, een gesmeerde boterham en een gesmeerde boterham met zout. Zij bracht hem, om zijn smaak te weten te komen, een heele keuze, alles op een oude krant uitgespreid. Maar nooit had hij kunnen raden, wat zijn zuster in haar goedheid werkelijk deed. Gregor was zeer benieuwd wat zij hem er voor in de plaats zou brengen, en maakte allerlei veronderstellingen. Maar zijn zuster merkte dadelijk met verbazing de nog volle kom op, waaruit alleen een beetje melk gemorst was, zij nam haar dadelijk op, wel niet met haar bloote handen, maar met een lap, en bracht haar naar buiten. Zou zij wel merken, dat hij de melk had laten staan, en geenszins omdat hij geen honger had? En zou zij ander voedsel brengen, dat hem beter beviel? Als zij het niet uit zichzelf deed, zou hij liever verhongeren, dan haar er op attent maken, hoewel hij eigenlijk groote aanvechting had onder de canapé uit te schieten, zich voor de voeten van zijn zuster te werpen, en haar te smeeken iets lekkers te brengen. Gregor had zijn hoofd tot vlak aan den rand van de canapé naar voren geschoven en sloeg haar gade. Maar alsof zij spijt van haar gedrag had, opende zij de deur dadelijk weer, en kwam, alsof zij bij een zwaar zieke of bij een vreemde was, op de teenen naar binnen. Zij vond hem niet dadelijk, maar toen zij hem onder de canapé ontdekte — God, hij moest toch ergens blijven, hij kon toch niet wegvliegen —, schrok zij zoo, dat zij, zonder zich te kunnen beheerschen, de deur van buiten af weer toesloeg.Al vroeg in den morgen, het was nog bijna nacht, had Gregor gelegenheid de kracht van de zooeven genomen besluiten op de proef te stellen, want van de voorkamer uit opende zijn zuster, bijna geheel gekleed, de deur en keek gespannen naar binnen.

Daar bleef hij den geheelen nacht, dien hij voor een deel in sluimer, waaruit de honger hem voortdurend weer opschrikte, doorbracht, voor een deel echter in zorgen en hoopvolle voorstellingen, die echter alle tot de slotsom leidden, dat hij zich voorloopig rustig moest gedragen, en door geduld en grooten tact voor de familie de onaangenaamheden draaglijk moest maken, die hij in zijn huidigen toestand nu eenmaal gedwongen was te veroorzaken. Maar de hooge, ruime kamer, waarin hij gedwongen was op den vloer te liggen, maakte hem bang, zonder dat hij de oorzaak kon opsporen, want het was toch zijn eigen kamer, die hij sedert vijf jaar bewoonde — en met een half onbewusten draai en niet zonder een licht gevoel van schaamte, kroop hij haastig onder de canapé, waar hij zich, hoewel zijn rug eenigszins beklemd werd, en hoewel hij zijn hoofd niet meer kon opheffen, onmiddellijk zeer behaaglijk voelde, en het slechts betreurde, dat zijn lichaam te breed was om heelemaal onder de canapé ondergebracht te worden. Voor den morgen kwam er zeker niemand meer bij Gregor binnen; hij had dus ruimschoots den tijd om ongestoord te overleggen, hoe hij zijn leven nu opnieuw moest inrichten. Eerst laat in den nacht werd het licht in de huiskamer uitgedaan, en nu was het gemakkelijk vast te stellen, dat zijn ouders en zijn zuster zoo lang opgebleven waren, want, zooals men duidelijk hooren kon, verwijderden zij zich nu alle drie op de teenen.

Dien morgen, toen de deuren op slot waren, had iedereen bij hem binnen willen komen; nu, terwijl hij de eene deur open gemaakt had, en de andere klaarblijkelijk gedurende den dag geopend waren, kwam er niemand meer, en de sleutels zaten nu ook aan den buitenkant. Gregor hield nu vlak bij de deur van de huiskamer stil, vast besloten den aarzelenden bezoeker toch op de een of andere manier binnen te brengen, of in ieder geval te weten te komen wie het eigenlijk was; maar nu werd de deur niet meer geopend, en Gregor wachtte tevergeefs. Eén keer gedurende den langen avond werd de eene zijdeur en één keer de andere op een kleine kier geopend, en snel weer gesloten; iemand had er wel behoefte aan binnen te komen, maar ook weer te veel bedenkingen.

Maar wanneer alle rust, alle welstand, alle tevredenheid nu tot een verschrikkelijk eind moest komen? O m zich niet in zulke gedachten te verliezen, zette Gregor zich liever in beweging en kroop de kamer op en neer. „Wat een stil leven leidt mijn familie toch,” zei Gregor bij zichzelf, en voelde zich, terwijl hij recht voor zich uit in het donker staarde, buitengewoon trotsch, dat hij zijn ouders en zijn zuster zoo’n leven in zoo’n mooie woning had kunnen verschaffen. Maar het was overal ook zoo stil, hoewel de woning toch zeker niet leeg was. Nu, misschien was dat voorlezen, waarover zijn zuster hem altijd vertelde en schreef, den laatsten tijd toch uit de mode geraakt. In de huiskamer was, zooals Gregor door de kier van de deur kon zien, het gas aangestoken, maar terwijl zijn vader anders op dezen tijd van den dag de ‘s middags verschijnende krant aan zijn moeder en dikwijls ook aan zijn zuster voorlas, hoorde men nu geen geluid.

Maar hij trok hem teleurgesteld weer terug; niet alleen dat het eten door zijn pijnlijke linkerzijde bezwaarlijk was — en hij kon alleen eten, wanneer zijn geheele lichaam snuivend meewerkte — , maar de melk, die anders zijn lievelingsdrank was en die zijn zuster daarom zeker had neergezet, smaakte hem in het geheel niet, ja, hij wendde zich bijna met afkeer van het bakje af en kroop naar het midden van de kamer terug. Bijna had hij van blijdschap gelachen, want hij had nog meer honger dan dien morgen, en oogenblik – kelijk stopte hij zijn kop bijna tot over zijn oogen in de melk. Want daar stond een bakje met zoete melk gevuld, waarin kleine stukjes wittebrood dreven. Bij de deur merkte hij pas, wat hem daar eigenlijk had heen gelokt: het was de reuk van iets eetbaars geweest.

Eén pootje was overigens in den loop van de gebeurtenissen van dien morgen zwaar gekwetst — het was bijna een wonder, dat er maar één gekwetst was — en sleepte er lam bij. Zijn linkerzijde scheen een lang, onaangenaam gespannen litteeken, en hij moest gewoonweg hinken op zijn twee rijen pootjes. Langzaam schoof hij, nog onhandig met zijn voelhorens tastend, die hij nu pas leerde waardeeren, naar de deur, om te zien, wat daar was gebeurd. Het schijnsel van de electrische tram lag, bleek, hier en daar op het plafond en op de hoogere gedeelten der meubels, maar beneden bij Gregor was het donker. Hij zou ook zonder stoornis zeker niet veel later ontwaakt zijn, want hij voelde zich voldoende uitgerust en uitgeslapen, maar het leek hem, als was hij door een lichten tred en een voorzichtig sluiten van de deur die naar de voorkamer leidde, gewekt. In de avondschemering ontwaakte Gregor eerst uit zijn zwaren, bijna op een flauwte lijkenden slaap.

2

De deur werd nog met den stok dichtgeslagen, toen was het eindelijk stil. De eene kant van zijn lichaam verhief zich, hij lag scheef in de deuropening, zijn flank was heelemaal wond geschuurd, op de witte deur bleven leelijke vlekken achter, spoedig bleef hij steken en had zich alleen niet meer kunnen roeren, de pootjes aan den eenen kant hingen bibberend hoog in de lucht, die aan den anderen kant waren pijnlijk tegen den grond gedrukt — toen gaf zijn vader hem van achteren een nu inderdaad verlossenden, harden duw, en hij vloog, hevig bloedend, ver zijn kamer in. Veeleer dreef hij, als was er geen hinderpaal, Gregor nu onder buitengewoon lawaai vooruit; het klonk achter Gregor ook al heelemaal niet meer als de stem van enkel en alleen maar zijn vader, er viel nu werkelijk niet mee te spotten, en Gregor drong zich — hoe dan ook — door de deur.

Hij zou ook nooit de ingewikkelde voorbereidingen geduld hebben, die Gregor noodig had om zich op te richten en misschien op die manier door de deur te komen. Zijn eenige gedachte was alleen, dat Gregor zoo snel mogelijk in zijn kamer moest gaan. Zijn vader dacht er i n dezen gemoedstoestand ook in het geheel niet aan, den anderen deurvleugel te openen, om Gregor een passenden doorgang te verschaffen. Maar toen hij gelukkig eindelijk met zijn hoofd voor de deuropening was, bleek het dat zijn lichaam te breed was om er zonder meer door te kunnen. Hij had zich bijna heelemaal omgedraaid, toen hij, voortdurend naar het sissen luisterend, zich zelfs vergiste en weer een stuk terugdraaide. Als dat onuitstaanbare gesis van zijn vader er nu maar niet geweest was! Gregor raakte daardoor geheel in de war. Misschien begreep zijn vader zijn goeden wil, want hij stoorde hem hierin niet, doch leidde zelfs hier en daar de draaibewegingen uit de verte met de punt van zijn stok. Maar ten slotte bleef Gregor toch niets anders over, want hij merkte met ontzetting, dat hij bij het achterwaarts gaan niet eens de richting wist te behouden, en hij begon dus, onder onophoudelijke, zijdelingsche blikken naar zijn vader, zich zoo vlug mogelijk, in werkelijkheid echter zeer langzaam, om te draaien. Wanneer Gregor zich maar had kunnen omdraaien, dan was hij dadelijk in zijn kamer geweest, maar hij was bang, zijn vader door het tijdroovende omdraaien ongeduldig te maken, en ieder oogenblik immers dreigde hem van den stok in zijn vaders hand de doodelijke slag op zijn rug of zijn hoofd. N u had Gregor nog in het geheel geen oefening in het achteruit loopen, het ging inderdaad zeer langzaam. Onverbiddelijk joeg zijn vader hem op, en stootte sissende klanken uit als een wilde. Tusschen portaal en trappenhuis ontstond een krachtige tocht, de gordijnen vlogen omhoog, de kranten op tafel ritselden, losse bladen woeien over den grond. Niettegenstaande het koele weer had zijn moeder tegenover hem een raam opengegooid, en er uit geleund, drukte zij haar gezicht, ver buiten het raam, in de handen. Gregors smeeken baatte niet, zijn smeeken werd ook niet begrepen; hoe deemoedig hij het hoofd ook draaide, zijn vader stampvoette slechts harder. Helaas scheen nu ook deze vlucht van den procuratiehouder zijn vader, die tot nu toe betrekkelijk kalm was geweest, totaal van streek te maken, want inplaats van zelf den procuratiehouder na te loopen, of althans Gregor in de achtervolging niet te dwarsboomen, greep hij met de rechterhand den stok van den procuratiehouder, dien deze met zijn hoed en overjas op een stoel had laten liggen, haalde met de linkerhand een groote krant van de tafel, en begon al stampvoetend Gregor door zwaaien met den stok en de krant in zijn kamer terug te drijven. Gregor nam een aanloop, om hem zoo mogelijk in te halen; de procuratiehouder moest er een vermoeden van gehad hebben, want hij nam een sprong over verscheidene treden en verdween; „Hoe!” schreeuwde hij echter nog: het klonk door het geheele trappenhuis. Maar Gregor had nu geen tijd voor zijn ouders; de procuratiehouder was al op de trap, met zijn kin op de balustrade keek hij nog voor het laatst om. Daarom begon zijn moeder opnieuw te schreeuwen, vluchtte van de tafel weg, en viel zijn vader, die aan kwam snellen, in de armen. De procuratiehouder was hem voor een oogenblik geheel door het hoofd gegaan; maar hij kon niet nalaten bij het zien van de stroomende koffie meermalen met zijn kaken in het niets te happen.„Moeder, moeder,” zei Gregor zachtjes en keek naar haar op.

Maar op hetzelfde oogenblik dat hij, schommelend van ingehouden beweging, niet ver van zijn moeder verwijderd, juist tegenover haar op den grond lag, sprong deze, die toch geheel in zichzelf verzonken scheen te zijn, opeens overeind, de armen uitgestrekt, de vingers gespreid, riep: „Help — in ‘s hemelsnaam help!”, hield het hoofd gebogen, als wilde zij Gregor beter zien, liep echter, in tegenspraak daarmede, zinneloos achteruit, had vergeten, dat de gedekte ontbijttafel achter haar stond, ging er, toen zij daar was aangekomen, als verstrooid, haastig op zitten; en zij scheen in het geheel niet te merken dat naast haar uit de omvergeworpen groote kan de koffie in een dikken straal op het kleed stroomde. Nauwelijks was dat gebeurd, of hij voelde voor het eerst dien morgen een lichamelijk welbehagen; de pootjes hadden vasten grond onder zich, zij gehoorzaamden volledig, zooals hij tot zijn genoegen merkte; zij streefden er zelfs naar, hem te dragen waar hij wilde; en reeds geloofde hij, dat het definitieve einde van al zijn lijden nabij was. En zonder te bedenken, dat hij zijn huidige capaci-teiten zich te bewegen in het geheel niet kende, zonder ook te bedenken, dat zijn woorden misschien, ja waarschijnlijk weer niet begrepen zouden worden, verliet hij den deurvleugel; schoof zich door de opening, wilde naar den procuratiehouder gaan, die zich reeds aan de balustrade van het portaal op belachelijke wijze met beide handen vastklemde; maar hij viel oogenblikkelijk, naar houvast zoekende, met een lichten kreet op zijn vele pootjes neer. Maar zijn zuster was er nu juist niet, en Gregor moest zelf optreden. En de procuratiehouder, zoo op dames gesteld, had zich zeker door haar laten leiden; zij zou de huisdeur dicht hebben gedaan en hem in de voorkamer zijn angst uit het hoofd hebben gepraat. Maar Gregor zag wèl in de toekomst; de procuratiehouder moest tegengehouden, gerustgesteld, overtuigd en ten slotte gewonnen worden; de toekomst van Gregor en zijn familie hing er immers van af! Als zijn zuster er maar geweest was! Zij was verstandig; zij had al gehuild toen Gregor nog rustig op zijn rug lag. Zijn ouders begrepen dat allemaal niet zoo goed; zij hadden in al die jaren de overtuiging gekregen, dat Gregor in die zaak voor zijn leven onder dak was, en zij waren ook zoo vervuld van de zorgen van het oogenblik, dat zij niet in staat waren vooruit te zien. Gregor begreep, dat hij den procuratiehouder in geen geval in deze stemming weg mocht laten gaan, wilde zijn betrekking in de zaak niet het grootste gevaar loopen.

Maar in de voorkamer stak hij zijn rechterhand ver vooruit, in de richting van de trap, alsof hem daar een bovenaardsche verlossing wachtte. Hij was al in de voorkamer, en te oordeelen naar de plotselinge beweging, waarmee hij voor het laatst zijn voet uit de woonkamer trok, had men kunnen gelooven, dat hij zoojuist zijn voetzool had gebrand. E n gedurende Gregors toespraak stond hij geen oogenblik stil, maar trok langzaam, zonder Gregor uit het oog te verliezen, naar de deur, maar heel geleidelijk, als was er een geheim verbod, de kamer te verlaten. Maar de procuratiehouder had zich al bij de eerste woorden van Gregor afgewend, en over zijn zenuwachtig trekkenden schouder keek hij met opgetrokken lippen naar Gregor om.

U weet toch ook wel, dat een reiziger, die bijna het heele jaar buiten de zaak werkt, zoo gemakkelijk het slachtoffer van geklets, toevalligheden en ongegronde bezwaren kan worden, waartegen hij zich onmogelijk kan verweren, daar hij er meestal niets van merkt, en alleen wanneer hij uitgeput van de reis thuiskomt, de ernstige, naar hun oorzaken niet meer te begrijpen gevolgen, aan den lijve begint te ondervinden. Maar u, mijnheer de procuratiehouder, u heeft een beteren blik op de omstandigheden dan het overige personeel, ja, onder ons gezegd, zelfs een beteren blik dan mijnheer de chef zelf, die zich in zijn kwaliteit van werkgever gemakkelijk ten nadeele van een ondergeschikte van de wijs laat brengen. Kiest u mijn partij in de zaak! De reiziger is niet bemind, dat weet ik; men denkt dat hij geld als water verdient, en bovendien nog een prettig leventje heeft! Men heeft nu eenmaal geen bijzondere reden, beter over dit vooroordeel na te denken. Maar maakt u het mij niet moeilijker dan het al is. Ik zit in het nauw, maar ik zal er ook wel weer uitkomen. Aan den anderen kant moet ik voor mijn ouders en zuster zorgen. Ik heb immers zooveel verplichtingen tegenover den chef, dat weet u toch heel goed. Waar gaat u heen, mijnheer de procuratiehouder? Naar de zaak? Ja? Zult u alles naar waarheid vertellen? Men kan op een oogenblik niet in staat zijn te werken, maar dat is dan juist het moment, om zich de vroegere prestaties te herinneren en te bedenken, dat men, na het uit den weg ruimen van de hindernis, zeker des te vlijtiger en geconcentreerder zal werken. Wilt u, wilt u mij op reis laten gaan? U ziet wel, mijnheer de procuratiehouder, dat ik niet koppig ben, en ik werk graag; het reizen is vermoeiend, maar ik zou zonder reizen niet kunnen leven. „Nu,” zei Gregor, en hij was er zich wel van bewust, dat hij de eenige was, die zijn kalmte had bewaard, „ik zal mij dadelijk aankleeden, de collectie pakken en op reis gaan.

De deur naar de voorkamer was open, en men keek, daar ook de étagedeur open stond, op het portaal van de woning en op het begin van de naar beneden leidende trap. Juist aan den tegenoverliggenden muur hing een foto van Gregor uit zijn diensttijd, als luitenant, waarop hij, met de hand aan zijn degen, onbezorgd glimlachte en eerbied voor zijn houding en uniform afdwong. Het ontbijtservies stond nog in groote hoeveelheid op tafel, want voor zijn vader was het ontbijt de voornaamste maaltijd van den dag, dien hij, onder het lezen van verscheidene kranten, urenlang rekte. Het was inmiddels veel lichter geworden; aan den overkant van de straat stond duidelijk een silhouet van het tegenovergelegen grijszwarte huis — het was een ziekenhuis — met zijn regelmatige ramen, die scherp den gevel perforeerden; de regen viel nog altijd, maar nu in groote, afzonderlijk zichtbare en eigenlijk ook afzonderlijk op den grond neergestrooide druppels. Gregor kwam nu in ‘t geheel niet in de kamer, maar leunde aan den binnenkant van den gegrendelden deurvleugel, zoodat zijn lijf slechts voor de helft was te zien, met er boven het zijwaarts gebogen hoofd, waarmee hij naar de anderen gluurde.

Zijn vader balde met een vijandige uitdrukking de vuist, alsof hij Gregor in zijn kamer terug wou duwen, keek dan onzeker de woonkamer rond, bedekte zijn oogen met de hand, en weende, zoodat zijn machtige borst schokte. Zijn moeder — zij stond hier in weerwil van de aanwezigheid van den procuratiehouder nog met los, hoog overeind staand haar, zooals ze uit haar bed was gekomen — keek eerst met gevouwen handen zijn vader aan, liep dan twee passen op Gregor toe en viel temidden van de zich om haar uitspreidende rokken neer, het gezicht geheel onzichtbaar op haar borst gebogen. Hij was nog met deze moeilijke beweging bezig en had geen tijd op iets anders te letten, toen hij den procuratiehouder al een luid „ O ! ” hoorde uitstooten — het klonk als het suizen van den wind — en nu zag hij hem ook, hoe hij, die het dichtst bij de deur stond, de hand tegen den open mond drukte en langzaam achteruit week, als werd hij door een onzichtbare, regelmatig stuwende kracht verdreven. Hij moest zich eerst langzaam om den eenen deurvleugel heendraaien en wel zeer voorzichtig, als hij niet, juist voor het binnentreden van de kamer plomp op zijn rug wou vallen. Daar hij de deur op die manier open moest doen, was zij eigenlijk al tamelijk wijd open en hij zelf nog niet te zien.

Opgelucht zei hij in zichzelf: „Den smid heb ik tenminste niet noodig gehad,” en hij legde zijn hoofd op de deurkruk om de deur geheel open te doen. Het hooge geluid van het eindelijk terugspringende slot bracht Gregor metterdaad tot bezinning. Naarmate de sleutel draaide, danste hij om het slot heen, hield zich nu nog alleen met zijn mond overeind, en naar gelang het noodig was, hing hij aan den sleutel of drukte hem weer neer met de geheele zwaarte van zijn lichaam.” Dat was een groote aanmoediging voor Gregor; maar allemaal hadden zij hem moeten toeroepen, ook zijn vader en zijn moeder: „Goed zoo, Gregor,” hadden ze moeten roepen, „vooruit maar, op het slot af!” En terwijl hij zich voorstelde, dat zij allemaal zijn pogingen met spanning volgden, beet hij zich met alles wat hij aan kracht kon verzamelen, zonder na te denken, in den sleutel vast. „Hoor eens,” zei de procuratiehouder in de belendende kamer, „hij draait den sleutel om. Het scheen, helaas, dat hij geen echte tanden had — waarmee moest hij nu den sleutel pakken? — maar in plaats daarvan waren zijn kaken dan ook zeer sterk; met hun hulp bracht hij ook werkelijk den sleutel in beweging en sloeg er geen acht op, dat hij zich ongetwijfeld een of ander letsel toebracht, want er kwam een bruine vloeistof uit zijn mond, liep over den sleutel en druppelde op den grond. Toen echter begon hij te probeeren met zijn mond den sleutel in het slot om te draaien. Gregor schoof langzaam met den stoel naar de deur, liet hem daar los, wierp zich tegen de deur, hield zich er aan overeind — de zolen van zijn pootjes waren eenigszins kleverig — en rustte daar een oogenblik van de inspanning uit.

Misschien zaten zijn ouders met den procuratiehouder aan tafel te fluisteren, misschien leunden ze allemaal tegen de deur en luisterden. In de kamer naast hem was het intusschen zeer stil geworden. Om voor de naderende, beslissende besprekingen een zoo helder mogelijke stem te krijgen, hoestte hij even, hoewel hij er voor zorgde het heel zachtjes te doen, daar mogelijk ook dit geluid al anders dan menschelijk hoesten klonk, wat hij zelf niet meer durfde te beoordeelen. Hij voelde zich weer in den menschelijken kring opgenomen, en verwachtte van beiden, van den dokter en van den smid, zonder hen eigenlijk precies te scheiden, geweldige en verrassende prestaties. Het vertrouwen en de zekerheid, waarmee de eerste maatregelen genomen waren, deden hem goed. Maar in ieder geval geloofde men nu reeds, dat het niet heelemaal in orde was met hem en was men bereid hem te helpen. Men begreep zijn woorden dus niet meer, hoewel zij hem duidelijk genoeg, duidelijker dan vroeger waren voorgekomen, misschien omdat zijn ooren er aan gewend raakten. Gregor was echter veel kalmer geworden.

Men hoorde de deur niet eens weer dichtslaan; zij hadden haar zeker open gelaten, zooals meestal in huizen, waar een groot ongeluk is gebeurd. „Anna! Anna!” riep zijn vader door de voorkamer naar de keuken en klapte in zijn handen, „ga dadelijk een smid halen!” En daar liepen de beide meisjes al met ruischende rokken door de voorkamer — hoe had zijn zuster zich nu zoo snel aangekleed? — en trokken de huisdeur open. Heb je Gregor nu hooren praten?” „Dat was een dierengeluid,” zei de procuratiehouder buiten- gewoon zachtjes in tegenstelling met het roepen van zijn moeder. Gregor is ziek. „Je moet dadelijk naar den dokter. Zij spraken met elkaar door Gregors kamer heen. „Moeder?” riep zijn zuster van den anderen kant. Grete! Grete!” riep zij toen. „Hebt u ook maar één woord verstaan?” vroeg de procuratiehouder aan zijn ouders, „hij houdt ons toch niet voor den gek?” „Om Gods wil , ” riep zijn moeder al huilende uit, „hij is misschien zwaar ziek en wij kwellen hem.
Daarmee had hij echter ook macht over zichzelf gekregen en hield zich stil, want nu kon hij naar den procuratiehouder luisteren. Nu liet hij zich tegen de rugleuning van een nabijzijnden stoel vallen en hield zich met zijn pootjes aan de randen vast. Eerst gleed hij nu een paar maal van de gladde kast af, maar tenslotte, met een laatste krachtsinspanning, stond hij overeind; op de pijnen in zijn onderlijf sloeg hij geen acht, hoezeer ze ook brandden. Namen zij echter alles rustig op, dan had ook hij geen reden zich op te winden, en kon, als hij zich haastte, om acht uur inderdaad op het station zijn. Schrokken zij, dan had Gregor geen verantwoordelijkheid meer, en kon gerust zijn. Hij wilde inderdaad de deur open doen, zich inderdaad vertoonen en met den procuratiehouder spreken; hij was er zeer nieuwsgierig naar te weten te komen, wat de anderen, die zoo naar hem verlangden, bij zijn aanblik zouden zeggen. En terwijl Gregor dit alles haastig uitstootte, en nauwelijks wist wat hij zei, was hij waarschijnlijk tengevolge van de reeds in bed verkregen oefening, de kast eenigszins genaderd, en probeerde nu zich daaraan op te richten.

Met den trein van acht uur ga ik overigens op reis, die paar uur rust hebben mij goed gedaan. U hebt misschien de laatste orders, die ik gestuurd heb, niet gelezen. Mijnheer de procuratiehouder! Spaar mijn ouders! Voor al de verwijten, die u mij nu maakt is toch geen reden; men heeft er mij ook met geen woord over gesproken. Waarom heb ik het niet gezegd in de zaak! Maar je denkt altijd dat je de ziekte zonder thuisblijven te boven zal komen. Het moet al aan mij te zien zijn geweest. Hoe zooiets een mensch opeens kan overvallen! Gisterenavond was ik nog heelemaal goed, dat weten mijn ouders wel, of beter gezegd, gisterenavond had ik al een licht voorgevoel. Maar ik voel me al weer beter. Nog een oogenblikje geduld! Het gaat nog niet zoo goed als ik dacht. Dadelijk sta ik op. Maar ik ben nu weer heelemaal opgeknapt. Ik lig nu nog in bed. Een lichte ongesteldheid, een aanval van duizeligheid, verhinderde mij op te staan. „Maar mijnheer de procuratiehouder,” riep Gregor buiten zichzelf en vergat in de opwinding al het andere, „ik doe dadelijk, oogenblikkelijk open.

Uw werk was den laatsten tijd zeer onbevredigend; het is wel niet het seizoen om bijzondere zaken te doen; maar een seizoen, waarin geen zaken gedaan worden bestaat niet, mijnheer Samsa, mag niet bestaan. Ik was oorspronkelijk van plan u dat alles onder vier oogen te zeggen, maar daar u mij hier noodeloos mijn tijd laat verliezen, weet ik niet, waarom uw ouders het ook niet zouden hooren. En uw positie is heelemaal niet zoo vast. Maar nu zie ik hier uw onbegrijpelijke koppigheid, en de lust, ook maar eenigszins voor u op te komen, vergaat mij geheel en al. De chef zinspeelde vanmorgen vroeg op een mogelijke verklaring van uw verzuim — zij betrof het incasso dat u sedert kort is toevertrouwd — maar ik gaf waarlijk bijna mijn eerewoord er op dat deze verklaring niet op kon gaan. Ik meende u als een rustig, verstandig mensch te kennen, en nu schijnt u plotseling met wonderlijke kuren te willen paradeeren. Ik spreek hier in naam van uw ouders en uw chef en verzoek u ernstig oogenlblikkelijk om een duidelijke verklaring, ‘t Is werkelijk ongehoord. „Mijnheer Samsa,” riep de procuratiehouder nu met verheffing van stem, „wat is er toch aan de hand? U sluit u op in uw kamer, antwoordt alleen met ja en neen, maakt uw ouders ernstig ongerust, en verzuimt — dit zij terloops opgemerkt — uw zakelijke plichten eigenlijk op ongehoorde manier.
Maar het was juist de onzekerheid, die de anderen benauwde en hun gedrag verontschuldigde. En Gregor meende, dat het veel verstandiger zou zijn, hem nu met rust te laten, in plaats van hem met gehuil en gepraat te storen. Maar naar aanleiding van deze kleine onbeleefdheid, waarvoor later wel een goede verklaring te vinden zou zijn, kon Gregor toch eigenlijk niet dadelijk ontslagen worden. Op dit oogenblik lag hij wel op het kleed, en niemand die van zijn toestand op de hoogte was had in ernst van hem kunnen verlangen, dat hij den procuratiehouder binnen liet. Gregor was er nog en dacht er geen oogenblik aan zijn familie te verlaten. En waarom huilde ze dan? Omdat hij niet opstond, en den procuratiehouder niet binnen liet, omdat hij gevaar liep zijn betrekking te verliezen, en omdat de chef zijn ouders dan weer met de oude vorderingen zou vervolgen? Dat waren voorloopig toch wel over- bodige zorgen. Waarom ging zijn zuster dan niet naar de anderen? Ze was zeker pas uit bed, en nog niet eens begonnen zich aan te kleeden.

In de kamer links viel een pijnlijke stilte, in de kamer rechts begon zijn zuster te snikken. „Neen,” zei Gregor.” „Nu, kan mijnheer de procuratiehouder al binnenkomen?” vroeg de ongeduldige vader en klopte weer aan de deur. Hoewel ik ook aan den anderen kant moet zeggen, dat wij, zakenmenschen — helaas of gelukkig, zooals u wilt — een lichte ongesteldheid vaak uit zakelijke overwegingen eenvoudig moeten overwinnen. „Anders kan ik het ook niet verklaren, mevrouw,” zei de procuratiehouder, „laten wij hopen dat het niets ernstigs is.” „Ik kom dadelijk,” zei Gregor langzaam en voorzichtig en bewoog zich niet om geen woord van de gesprekken te verliezen. Ik ben overigens blij, dat u er bent, mijnheer de procuratiehouder; wij zouden Gregor er niet toe gekregen hebben de deur open te doen; hij is zoo koppig; en hij is zeker niet goed, hoewel hij het vanmorgen ontkend heeft. Hij heeft nu bijvoorbeeld in den loop van twee of drie avonden een lijstje gezaagd; u zult er verbaasd over staan hoe mooi het is; het hangt in zijn kamer, uzult het dadelijk zien, als Gregor opendoet. Het is voor hem al een verstrooiing wanneer hij zich met figuurzagen bezig houdt. Dan zit hij bij ons aan tafel en leest stil de krant of bestudeert het spoorboekje. Het ergert mij bijna dat hij ‘s avonds nooit uitgaat; hij was nu toch een week in de stad, maar hij is iederen avond thuis gebleven. Hoe zou Gregor anders een trein missen! De jongen heeft niets anders in zijn hoofd dan de zaak. „Hij is niet goed,” zei zijn moeder tegen den procuratiehouder, terwijl zijn vader nog aan de deur stond te praten, „gelooft u mij, hij is niet goed, mijnheer de procuratiehouder.” „Goeden morgen, mijnheer Samsa,” riep de procuratiehouder er vriendelijk doorheen. Hij zal wel zoo goed zijn den rommel in je kamer te verontschuldigen. Doe dus alsjeblieft de deur open. Hij wil je overigens zelf spreken. Wij weten niet wat wij tegen hem moeten zeggen. „Gregor,” zei zijn vader nu, uit de kamer links, „mijnheer de procuratiehouder is gekomen om te informeeren waarom je niet met den vroegen trein bent weggegaan.

” „Ik weet het,” zei Gregor in zichzelf; maar zoo hard, dat zijn zuster het had kunnen hooren, durfde hij zijn stem niet te verheffen. Uit de kamer rechts fluisterde zijn zuster om Gregor in te lichten: „Gregor, daar is de procuratiehouder. Maar als een ruw antwoord op deze vraag deed de procuratiehouder in de kamer er naast een paar vastbesloten stappen en liet zijn verlakte schoenen kraken. Gregor probeerde zich voor te stellen of den procuratiehouder ook niet eens iets dergelijks kon overkomen als hem vandaag overkwam; die mogelijkheid moest men toch eigenlijk toegeven. „Daarbinnen viel iets,” zei de procuratiehouder in de belendende kamer aan den linkerkant.
Alleen zijn hoofd had hij niet voorzichtig genoeg opgehouden en had het gestooten; hij draaide het en wreef het over het kleed uit woede en van pijn. De val werd eenigszins door het kleed gebroken, en zijn rug was ook elastischer dan Gregor had gedacht, vandaar het niet zoo vreemde doffe geluid. Het gaf een harde bons, maar echt lawaai was het niet. Waarom was juist Gregor er toe veroordeeld bij een firma te werken, waar men bij het kleinste verzuim dadelijk den grootsten argwaan koesterde? Waren alle ondergeschikten dan alle met elkaar ploerten, was er onder hen dan geen trouw en toegewijd wezen, die, hoewel hij een paar morgenuren niet voor de zaak had gebruikt, door gewetenswroeging de kluts kwijt raakte en gewoonweg niet in staat was uit zijn bed te komen? Was het nu werkelijk niet voldoende een leerjongen te laten informeeren — als die informatie al noodig was —, moest de procuratiehouder zelf komen en moest daardoor aan de heele onschuldige familie getoond worden, dat het onderzoeken van deze verdachte geschiedenis slechts aan het verstand van den procuratiehouder toevertrouwd kon worden? En meer tengevolge van de opwinding, waarin Gregor door deze overwegingen geraakte, dan wel als gevolg van een werkelijk besluit, slingerde hij zich met alle kracht uit het bed. Gregor behoefde slechts het eerste begroetende woord van den bezoeker te hooren om te weten wie het was — de procuratiehouder zelf. Maar toen ging natuurlijk, zooals altijd, het dienstmeisje met vasten tred naar de deur en deed open. „Ze doen niet open,” zei Gregor in zichzelf, door een soort van onzinnige hoop bevangen. Een oogenblik bleef alles stil. „Dat is iemand uit de zaak,” zei hij bij zichzelf en hij verstijfde bijna, terwijl zijn pootjes des te vlugger dansten. Hij was al zoover, dat hij bij het steeds heviger schommelen nauwelijks zijn evenwicht nog kon bewaren, en hij moest nu spoedig een eindbesluit nemen, want over vijf minuten was het kwart over zeven, — toen er gebeld werd.

Nog afgezien van het feit, dat de deuren waren afgesloten, had hij werkelijk om hulp moeten roepen? In weerwil van alle ellende kon hij bij deze gedachte een glimlach niet bedwingen. Twee sterke menschen — hij dacht aan zijn vader en aan het dienstmeisje — waren heelemaal voldoende geweest; zij zouden hun armen slechts onder zijn gewelfden rug moeten schuiven, hem zoo uit het bed lichten, zich met den last buigen en dan voorzichtig afwachten, dat hij den zwaai naar den grond maakte, waar de pootjes dan naar hij hoopte ook z in zouden krijgen. Toen Gregor al voor de helft uit het bed stak — de nieuwe methode was meer spel dan inspanning, hij behoefde alleen maar op zijn rug te schommelen —, viel hem in, hoe eenvoudig alles zou zijn, als men hem hielp.

Maar dat moest hij wagen. Het grootste bezwaar was, dat hij rekening moest houden met den harden slag, dien het zou geven, en die waarschijnlijk achter alle deuren zooal geen schrik, dan toch bezorgdheid zou veroorzaken. Zijn rug scheen hard te zijn; dien zou de val op het kleed wel niet deren. Als hij zich op die manier uit het bed liet vallen, bleef zijn hoofd, dat hij bij het vallen hoog zou oplichten, vermoedelijk ongedeerd.” E n hij probeerde nu het lichaam in zijn geheele lengte absoluut regelmatig uit het bed te schommelen. Overigens zal er dan ook wel iemand uit de zaak komen om naar mij te vragen, want de zaak gaat voor zevenen open. Maar toen zei hij bij zichzelf: „Voor het kwart over zeven slaat moet ik vast en zeker heelemaal uit bed zijn.
” En een poosje lag hij stil en ademde licht, alsof hij misschien van de volstrekte stilte het terugkeeren der werkelijke en natuurlijke toestanden verwachtte. „Al zeven uur,” zei hij in zichzelf, toen de wekker opnieuw sloeg, „al zeven uur en nog altijd zoo’n nevel. In zulke oogenblikken richtte hij zijn blik zoo scherp mogelijk op het raam, maar helaas was uit den aanblik van den morgennevel, die zelfs den overkant van de nauwe straat verborg, weinig troost en opbeuring te putten. Maar ondertusschen vergat hij niet zich onderwijl voor oogen te houden, dat rustig, zeer rustig overleg beter was dan wanhopige besluiten. Maar toen hij weer, na evenveel inspanning zuchtende, lag zooals eerst en zijn pootjes weer, zoo ja nog erger, tegen elkaar zag vechten en hij geen kans zag in deze willekeur rust en orde te brengen, zei hij weer tot zichzelf, dat hij onmogelijk in bed kon blijven en dat het het verstandigste zou zijn alles op het spel te zetten, als er ook maar de geringste hoop bestond, zich daardoor uit het bed te bevrijden.

En zijn bewustzijn mocht hij nu onder geen voorwaarde verliezen; liever bleef hij in bed. Maar toen hij zijn hoofd eindelijk buiten het bed in de vrije lucht hield, werd hij bang verder op deze manier nog meer vooruit te schuiven, want als hij zich eindelijk zoo liet vallen, dan zou het een wonder zijn, als hij zijn hoofd niet bezeerde. Dit ging ook gemakkelijk en in weerwil van haar breedte en zwaarte volgde de lichaamsmassa langzaam het draaien van het hoofd. Hij probeerde daarom eerst het bovenlijf uit het bed te krijgen en draaide voorzichtig zijn hoofd naar den rand van het bed.

Eerst wilde hij met het onderste deel van zijn lichaam uit bed komen, maar dit onderste deel, dat hij overigens nog niet had gezien en waar hij zich ook geen juiste voorstelling van kon maken, bleek moeilijk te bewegen; het ging zoo langzaam; en toen hij zich eindelijk, bijna wild, met al zijn kracht roekeloos naar voren gooide, had hij de richting verkeerd genomen, stootte hard tegen het voeteneind van het bed en de brandende pijn, die hij voelde, deed hem inzien, dat juist het onderste deel van zijn lichaam wellicht het gevoeligste was.

„Nu maar niet nutteloos in bed blijven,” zei Gregor in zichzelf. Wanneer hij er eens een wilde buigen dan was het eerste wat het deed zich strekken, en gelukte het hem eindelijk met dit pootje te doen wat hij wilde, dan werkten de anderen intusschen, als losgebroken, in de grootste en pijnlijkste beweeglijkheid. Hij zou armen en handen noodig hebben gehad om zich op te richten; in plaats daarvan had hij alleen al die pootjes, die onafgebroken in alle richtingen bewogen en die hij bovendien niet kon beheerschen. Maar vervolgens werd het moeilijk, vooral omdat hij zoo buitengewoon breed was. De deken van zich afgooien was eenvoudig genoeg; hij behoefde zich maar een beetje op te blazen en zij viel vanzelf.

Dat de verandering in zijn stem niets anders was dan de voorbode van een flinke verkoudheid, een beroepskwaal van reizigers, daaraan twijfelde hij geen oogenblik. Hij herinnerde zich al dikwijls in bed een of andere misschien door ongemakkelijk liggen veroorzaakte pijn te hebben gevoeld, die dan bij het opstaan alleen verbeelding bleek te zijn, en hij was benieuwd hoe alles, wat hij zich nu verbeeldde, langzamerhand zou verdwijnen. Eerst wilde hij rustig en ongestoord opstaan, zich aankleeden en vooral ontbijten, en dan pas verder overleggen, want, dat merkte hij wel, in bed zou hij het met nadenken niet tot een verstandige oplossing brengen.

” Gregor dacht er evenwel niet aan open te doen, doch zegende den voorzorgsmaatregel, dien hij van het reizen had overgehouden, ook thuis alle deuren ‘s nachts af te sluiten. Zijn vader keerde ook tot zijn ontbijt terug, maar zijn zuster fluisterde: „Gregor, doe open, ik smeek je. „Gregor, Gregor,” riep hij, „wat is er toch?” E n na een poosje maande hij nog eens, met donkerder stem: „Gregor! Gregor!” Maar aan de andere zijdeur klaagde zijn zuster zachtjes: „Gregor? Ben je niet goed? Heb je iets noodig?” Naar beide kanten antwoordde Gregor: „Ben al klaar,” en spande zich in door zorgvuldig uitspreken en door het maken van lange pauzen tusschen de woorden afzonderlijk aan zijn stem al het eigenaardige te ontnemen. Maar door dat korte gesprek waren de andere familieleden er op attent gemaakt, dat Gregor tegen de verwachting in nog thuis was en reeds klopte aan de eene zijdeur zijn vader, zachtjes, maar met de vuist.” Door de houten deur was de verandering in Gregors stem zeker niet te hooren, want zijn moeder vergenoegde zich met deze verklaring en slofte weg. Gregor had uitvoerig willen antwoorden en alles verklaren, maar bepaalde zich onder deze omstandigheden er toe te zeggen: „Ja, ja, dank u moeder, ik sta al op. Moest je niet op reis?” Die zachte stem! Gregor schrok, toen hij zijn stem die antwoord gaf hoorde, die wel onmiskenbaar zijn vroegere stem was, maar waarin zich, als van onderen uit, een niet te onderdrukken pijnlijk piepen mengde, waardoor de woorden slechts in het eerste oogenblik formeel hun duidelijkheid behielden doch hun naklank dusdanig werd gestoord, dat men niet wist, of men het wel juist verstaan had. „Gregor,” werd er geroepen — het was zijn moeder —, „het is kwart voor zeven. Toen hij dit alles haastig overlegde, zonder te kunnen besluiten het bed te verlaten — juist sloeg de wekker kwart voor zeven — werd er voorzichtig op de deur aan het hoofdeinde van zijn bed geklopt.

En had hij overigens in dit geval zoo zeer ongelijk? Gregor voelde zich inderdaad, afgezien van een na zijn langen slaap werkelijk overbodige slaperigheid, heel gezond en had zelfs bijzonder grooten honger. De chef zou zeker met den fondsdokter komen, zou zijn ouders verwijten maken over hun luien zoon en alle tegenspraak afsnijden door verwijzing naar den fondsdokter, voor wien in ‘t algemeen alleen kerngezonde, maar arbeidsschuwe menschen bestaan. En als hij zich nu eens ziek meldde, wat dan? Dat zou ook uiterst pijnlijk en verdacht zijn, want Gregor was in zijn vijfjarigen diensttijd nog geen enkelen keer ziek geweest. Hij was een creatuur van den chef, zonder ruggegraat of verstand. En zelfs als hij den trein haalde, dan was een uitbrander van den chef niet te vermijden, want de bediende uit de zaak had bij den trein van vijf uur staan wachten en het vermelden van zijn verzuim had reeds lang plaats gehad. Maar wat moest hij nu doen? De volgende trein ging om zeven uur; om dien te halen zou hij zich waanzinnig moeten haasten, en de collectie was nog niet ingepakt, en hij voelde zich heelemaal niet zoo buitengewoon frisch en beweeglijk. Ja, maar was het mogelijk rustig door dat geratel, waarvan de meubels trilden, heen te slapen? Enfin, rustig had hij wel niet geslapen, maar waarschijnlijk des te vaster. Zou de wekker niet zijn afgeloopen? Van het bed uit kon men zien, dat hij goed op vier uur was gezet; hij was zeker ook afgeloopen. Het was half zeven en de wijzers gingen rustig vooruit, het was zelfs al over half, het liep naar kwart voor. „Lieve God!” dacht hij. En hij keek op den wekker, die op de kast stond te tikken.

Voorloopig moet ik in ieder geval opstaan, want mijn trein gaat om vijf uur. Dan sla ik mijn grooten slag. Maar, de hoop is nog niet heelemaal vervlogen; als ik maar eenmaal het geld om de schuld van mijn ouders aan hem af te betalen bij elkaar heb — het kan nog zes of zeven jaar duren —, dan doe ik het zeker. Van zijn lessenaar had hij moeten vallen! Het is ook een rare manier, op den lessenaar te gaan zitten en vanuit de hoogte met den employé te spreken, die bovendien, vanwege de hardhoorendheid van den chef, heel dichtbij moet komen. Wie weet overigens, of dat niet heel goed voor mij zou zijn? Als ik mij niet ter wille van mijn ouders beheerschte, had ik al lang opgezegd, zou ik op den chef af zijn gegaan en hem uit den grond van mijn hart mijn meening gezegd hebben. Dat moest ik eens bij mijn chef probeeren; ik zou er oogenblikkelijk uitvliegen. Als ik bijvoorbeeld in den loop van den morgen naar het hotel terugga, om de gekregen bestellingen op te geven, dan zitten de heeren pas aan het ontbijt. Andere reizigers leven als haremvrouwen. Een mensch heeft zijn slaap noodig. „Dat vroege opstaan,” dacht hij, „maakt je totaal mal. Hij gleed weer in zijn vorige houding terug.

Het kan allemaal naar den bliksem loopen!” Hij voelde een lichte jeuk boven op zijn buik; schoof zich op zijn rug lanzaam naar het hoofdeind van het bed om zijn hoofd beter te kunnen oplichten; vond de jeukende plaats, die met niets dan kleine witte puntjes was bedekt, die hij niet kon verklaren; en wilde de plek met een poot bevoelen, trok die echter dadelijk terug, want bij de aanraking golfden rillingen van koude over hem heen. De opwinding veroorzaakt door de zakendrukte is veel grooter dan in de zaak zelf, en bovendien wordt mij nog de plaag van het reizen op den hals geschoven, de zorg voor de trein-aansluitingen, het ongeregelde, slechte eten en een altijd wisselende, nooit blijvende, nooit hartelijk wordende omgang met de menschen. „O God,” dacht hij, „wat heb ik een inspannend beroep gekozen! Dag in, dag uit op reis.

Hij probeerde het wel honderd keer, deed de oogen dicht om de trappelende beentjes niet te hoeven zien, en gaf het pas op toen hij een nog nooit ervaren lichte doffe pijn in de zij begon te voelen. Met hoeveel kracht hij zich ook op zijn rechterkant gooide, altijd weer schommelde hij in de rugligging terug. „Als ik nog eens wat slapen ging en alle gekheid vergat,” dacht hij, maar dat was absoluut onuitvoerbaar, want hij was gewend op zijn rechterzijde te slapen, doch kon in zijn huidigen toestand niet zoo gaan liggen. Gregors blik richtte zich nu op het raam, en het sombere weer — men hoorde regendroppels op het zink van de vensterbank kletteren — maakte hem diep melancholiek.

Zij stelde een rechtopzittende dame voor, van een bonten muts en een bonten boa voorzien, die een zware mof, waar haar heele onderarm in verdween, naar den toeschouwer omhooghief. Boven de tafel, waarop een uitgepakte monstercollectie stoffen was uitgestald — Samsa was reiziger —, hing de plaat, die hij kort geleden uit een geïllustreerd tijdschrift had geknipt en in een mooie vergulde lijst had gezet. Zijn kamer, een echt, alleen wat te klein menschenkamertje, lag rustig tusschen de vier welbekende muren. Het was geen droom.„Wat is er met mij gebeurd?” dacht hij.

Al zijn in vergelijking met zijn overigen omvang zielig dunne pootjes flikkerden hulpeloos voor zijn oogen. Hij lag op zijn hardgepantserden rug en zag, als hij zijn hoofd eenigszins optilde, zijn gewelfden bruinen, door boogvormige geledingen verdeelden buik, waarop de deken, op het punt omlaag te glijden, nauwelijks houvast kon vinden. Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige droomen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.

1

DE OMGEKEERDE GEDAANTEVERWISSELING

Back